In 't Oilsjters vlag aalst

Verhaaltjes

Arabi Pacha en het eiland Chipka
Estaminet
Brouwer-Bakker
Konker
De spin van Rubens
Abbeliekes

Arabi Pacha en het eiland Chipka

In het weekblad van Pieter Daens, Het Land van Aelst, verschijnt in het nummer van 24 september 1882 een artikel met als titel ‘Lot van Arabi Pacha’. Eigenlijk is het de start van een column, geïnspireerd op het toen ophefmakend conflict tussen de Engelsgezinde onderkoning  van Egypte - de Khedif - en de nationalistische kolonel Arabi Pacha, die de macht in Egypte greep, maar door de beroemde Engelse Generaal Wolseley verdreven werd. In de versie van Pieter Daens wordt ‘kornel’ Arabi als verliezer van het conflict door de Khedif naar de ‘woestijn van Sahara’ verbannen, maar generaal Wolseley stelt een compromis voor: ‘Ge zijt er niet, Khedif: Ik weet een eilandje in de wereld teenemaal onbekend; daar zal ik hem zenden voor zijn eeuwige straf, en zijt er zeker van, daar zal hij zich koes houden en er nooit van terugkeeren. (…)’t Is een moeras in den winter en ‘ne stinkpoel in den zomer. Daar zal ik Arabi zenden om zijne zonden uit te boeten.’ Waarop Arabi gelaten antwoordt: ‘Alla, ik zal mij nog amuseren in mijn leven. Adieu mijn lief vaderland den Oosten, ik vertrek naar ’t Eiland Chipka.’

Taboul

Zo arriveert dus op 8 oktober 1882 de uit Egypte verbannen Arabiop Chipka en schrijft direct een brief naar Taboul, zijn in Egypte achtergebleven vriend en wapenbroeder (taboul is in feite de benaming van een Arabische salade). Arabi beschrijft het Aalsterse eiland waarop hij is terecht gekomen en hij klaagt er al direct over: ‘Het komt verscheidene malen daags onder water.’
Met deze tweede brief is een vervolgverhaal in Het Land van Aelst geboren; titel van de reeks: Brief van Arabi Pacha aan Taboul - uit mijn eiland Chipka.

Waterellende

Ook in zijn brief van 26 november ‘82 doet  de aangespoelde vreemdeling zijn beklag over wateroverlast: ‘’t Regent hier geweldig en de Nijl (sic) stroomt hier langs alle kanten over’. Een maand later staat een kort bericht in de rubriek ‘Spreekplaats’:  ‘Arabi, uw Eiland Chipka is wederom bewoonbaar’. Nochtans schrijft Arabi in datzelfde nummer: ‘k Ben moeten vluchten uit mijn eiland Chipka, het welk onbewoonbaar is in de winter. Ironisch voegt hij er aan toe: ‘Ik zal dus mijn eiland Chipka voor zomerverblijf houden.’ De brieven zijn veelal milde kritiek op het conservatief-katholieke Aalsterse stadsbestuur met burgemeester Van Wambeke aan het hoofd (de Khedaf dezer stad), en ongezouten aanvallen op de liberale ‘geuzensekte’ en op de officiële scholen, maar ook op Sultan Leopold, die ‘de taal van ’t grootste gedeelte van zijn Volk niet kent’.

Stadskrawaaiers

Na een onderbreking van meer dan een jaar komt er nog een brief, op 27 april 1884: Arabi heeft Europa doorkruist en komt weer ‘thuis’: ‘Ik ben gaan zien naar mijn eiland Chipka, mijn lief en mijn vrij eiland Chipka nog dikwijls overstroomd en onbewoonbaar.’ Over Europa is Arabi trouwens enorm ontgoocheld. Er heersen enkel volksverdrukkende potentaten, slechts  gecontesteerd door ‘Dynamieters, Socialisten en Anarchisten’, zoals hij vier jaar later in zijn laatste brief, op  5 augustus 1888,  schrijft. De zedeloosheid is zelfs doorgedrongen tot zijn ‘lief en vrij eiland’: ‘Zelfs op mijn Eiland Chipka t’Aalst in Vlaanderen, heb ik ’s nachts gehoord en gezien benden jonge dochters die voorbijtrekken gemeine liekens zingende en huilende’. Is het Europa dat hem tegensteekt, of omdat hij ver is van zijn lief ‘Egypten en  Arabenland’, of de drift om te reizen die hem te pakken kreeg? Of omdat hij de laksheid van het gemeentebestuur en de modder van Chipka beu is (‘Twee stadskrawaaiers zijn een dagske of twee komen modder uitscheppen aan den uitkant  en daarmee is ’t weêr gepast’)? In elk geval, Arabi wil naar Amerika, ‘t land der Vrijheid oversteken…

Vox populi

Vanaf 1891 oordeelt Daens milder over de vroede vaderen onzer stad. Die hebben eindelijk de overstromingen een halt toe geroepen: ‘Arabi Pacha, uw eiland ligt er weer boven d’ oppervlakte van ’t water. En als Ued. naar Aalst komt, Arabi Pacha, ge zult uw ogen opentrekken!’ Daens prijst niet enkel de nieuwe kaaien aan de vaart en de monding van de oude Dender, maar ook de nieuwe bruggen aan de Zwarte Hoek, aan de Moutmolen en de Vismarkt, de nieuwe vismijn op Chipka en de plannen voor een nieuw hospitaal aan de Hertshage. Op 11 oktober spreekt hij lovend over de wandeling van ’t Eiland Chipka, die hij de Boulevard Arabi Pacha noemt. In Het land van Aelst van 1 november van datzelfde jaar  verantwoordt hij deze naam: ‘Eiland Elba (omgeving Walstraat), Chipka, Boulvard Arabi… Zo zijn de wegen en banen door ’t volk gedoopt en vox populi, vox Deï. Ze mogen op ‘t stadhuis dopen gelijk ze willen, wij doen met ’t volk.’ In het 18-augustusnummer klaagt hij nog dat er wel  lantaarnstaken op ‘den boulvard’ staan, ‘doch zonder licht van gaz of pittrol’. Op 15 november is  dat euvel blijkbaar verholpen: ‘Er hangen nu lantaarns aan de Boulvard Arabi van ’t Eiland Chipka, de grond word effen gelegd’ en lyrisch beschrijft hij het zicht dat de wandelaar er heeft: van de nieuwe huizen van de Hertshage aan de linkerkant, het eiland Elba en de koopwarenstatie in het midden tot rechts de mooi tuinen. De officiële naam van de ‘boulvard’ was sinds de aanleg in 1887 Saskaai. In 1902 werd ze opgedoopt in Van Wambekekaai, naar de burgemeester die de kaai heraanleggen, maar de Aalstenaars bleven van de Saskaai spreken. Arabi Pacha is dus niet aan een straatnaam geraakt.



Terug naar boven


Estaminet

Billetjes

Het baancafé ‘De Twee Zwartjes’, in Ternat  op de steenweg Asse-Edingen,  had twee zwartharige schonen als serveersters. ‘In de Zes Billekes’ was dan weer een café waar drie dochters achter de toog stonden en dat in de Duitse vertaling van  Claus’ Het verdriet van België de ‘PiPaPo’ wordt, wat zoiets wil zeggen als ‘De hele santenboetiek’. Wedden dat de Duitse lezer  zich gemakkelijker zou ingeleefd hebben met een letterlijke, desnoods schabouwelijke Pfaffvertaling (Die billige zeks)?
Maar straffer nog, in Zandhoven had je het dansorgelcafé ‘De 14 Billekes’, gerund door een toch wel kroostrijk gezin. En ergens in het Aalsterse werd naar het schijnt ooit een staminee waar een moeder en haar twee dochters de plak en wat anders zwaaiden ‘De Drie Meten, twee jong en één versleten’ genoemd.

Esta Minetta

Het vrouwelijk schoon vergroot de aantrekkingskracht van een kroeg, zoveel is zeker. Het klinkt dan ook zeer aannemelijk dat het Belgische woord ‘estaminet’ zijn oorsprong zou vinden in ‘Esta Minetta?’, een volgens de overlevering veelgestelde vraag van de Spaanse soldeniers die onze contreien bezetten in de 16de en 17de eeuw. De vraag betekende dan zoveel als “Is hier een meisje?”  Brouwerij Palm bracht het verhaal al bij de introductie van zijn conviviale ‘Estaminets’ en nu ook weer met de nieuwe pils Estaminet. Maar het was ons aller L.P. Boon die in de jaren 1960 deze mythe legendarisch maakte, toen hij in een van zijn cursiefjes in de krant Vooruit schreef, dat in een staminee altijd twee of drie dochters over de vloer lopen, omdat, zo heeft hij zich laten wijsmaken, estaminet in de taal van de Spanjakkers letterlijk betekende: huis waar de meisjes drank bezorgen.  Maar hij schrijft er nog eens uitdrukkelijk bij: ‘Maar mij kunnen ze alles wijsmaken’.
“Minetta” vind je eerder op Italiaanse dan Spaanse websites en Spaanse woordenboeken vermelden het woord niet. Het is gewoon een vrouwennaam, Wilhelminaatje of Mientje in ’t Nederlands. De bekendste Minette ooit was Henriette of England;  haar moeder was dan ook een Franse. Minette is voorts een poezennaam, wat ons likkebaardend naar de werkwoordsvorm minetten leidt, en dan is er inderdaad …een vrouw in ’t spel.

minette

Fijne sajet

Deftige woordenboeken echter zoeken de oorsprong van het woord estaminet in een serieuzere richting.
De Dictionaire de l’ Académie Française denkt aan het Latijn stamen (=schering), vanwaar het middelnederlandse estamine ofte stamet komt: een fijne wollen stof. Het verhandelen van die’ fyne saajet’ zou – hoe kan het anders in Vlaanderen - niet op de markt, maar in de herberg geschieden: in de estaminet ofte stammenije dus.

Paal

Het Centre nationale de Ressourses Textueles et Lexicales van de universiteit van Nantes vermoedt dat het Waalse estaminea verwant is met stamon, wat  paal betekent (denk aan stamgast, stamcafé, astamblieft). Aan zo een stamon werd de koe vastgebonden bij haar mangeoire in de stal. Elk rund had zijn paal. Een stal of andere ruimte met veel palen was dus een staminai. De grote gelagzaal van de herbergen had natuurlijk ook een steunpaal in het midden (zoek op: stammeneivoeten).Via het Gotisch is het woord in het Picardisch geraakt (in Rijsel, waar men Picardisch sprak, is het woord  estaminet nog heel gewoon) en vandaar in het Waals. Die Goten bonden de palen in hun huizen trouwens in de nok samen, waardoor de gotische spitsboog ontstond. Maar die was dan weer voor kerken in plaats van staminees.

Vluggertje

Als we toch de Spaanse piste willen volgen, komen we via de site ‘France-Estaminets’ bij ‘esta un minuto’, vrij vertaald: een wijle vertoeven, wat men op staminee natuurlijk graag doet. Een gelijkaardige Vlaamse verklaring is er ook: staminet komt dan van ’Sta, mijnheer’, wat zoveel betekent als stop hier eventjes, ’t is de moeite waard. Omdat er zes billekes te bewonderen zijn, of ten minste dan toch, twee zwartjes met hun plateaus pronken?

Terug naar boven


Waar de brouwer is…

                                   … moet de bakker niet zijn

Dank zij de B.V. Jacob van Artevelde weten wij hoeveel brouwgraan binnen de muren van de stad Aalst in voorraad was in februari 1339.

Wie goed opgelet heeft tijdens de lessen vaderlandse geschiedenis, weet sinds de lagere school dat de Engelse koning Edward III in de 14de eeuw Frankrijk wou veroveren en  een blitzkrieg startte die 100 jaar geduurd heeft. Hoewel de Graaf van Vlaanderen letterlijk leenplichtig was aan Frankrijk, wensten de Vlaamse steden toch neutraal te blijven in het conflict.  Daar zorgde onder anderen Jacob Van Artevelde voor, die als deken van de Gentse wevers niet graag de wolinvoer uit Engeland zag stilvallen. De Brabanders, die van Duitsland afhingen, konden er echter niet aan uit om samen met Duitsland mee te doen met Engeland.  Dus verstevigden de bedreigde Vlaamse steden aan de grens met Brabant hun vestingen en telden ze hun voorraden, om te weten hoelang een eventuele belegering worden doorstaan.
 Zo ook te Aalst. Waar de brouwer is moet de bakker niet zijn, zullen ze hier in Aalst gedacht hebben, want niet minder dan 721 modekins* gerst en haver, geschikt voor bier (en slechts een luttele 62 modekins graan voor brood) lagen op de graanzolders vergaard. Voeg daarbij nog 12 vaten wijn (voor de rijke stinkerds) en je begrijpt dat de stad met haar amper 3600 inwoners klaar was voor de strijd. Dendermonde, met in die tijd 9000 inwoners,  moest het stellen met amper 3 modekins brouwgraan…. en 30 vaten wijn. Ja, met al die dikke nekken…Verwondert het dat zij daar amper 10% van hun bevolking als weerbare mannen op de been konden brengen, terwijl in Aalst, gekloekt door ‘t gerstenat, 17% van de inwoners klaar stonden voor de strijd?

(bron: J. van Cleemput in Het Land Van Aalst, nr. 3 1956)

*modekin: oude Zuid-Nederlandse inhoudsmaat (ongeveer 20 liter) voor droge goederen

Terug naar boven


Nat en donker
De wereld is een soort konker

Eén der meest typische Aalsters woorden is ongetwijfeld het woord ‘konker’. Over het gebruik van dit woord voor 1909, voor de aanleg van de verhoogde spoorwegbedding door Aalst dus, is weinig of niets geweten. Feit is dat de werken aan de spoorwegbedding nog niet voltooid waren, of het woord konker duikt al op in De Werkman van Pieter Daens.

Op 13 mei 1910 hekelt hij als gemeenteraadslid in de oppositie de plasvorming in de nagelnieuwe doorgangen onder de spoorweg: ‘Wat missstaat in de drij konkers, dat zijn de modderplassen, bijz. in konker 1’. Op 20 november schrijft ook de liberale volksgazet: ’Er wordt bitter geklaagd over de slordigheid waarin de uitvoerder der nieuwe werken der statie onze straten en konkers laat liggen’. De behoudsgezinde De Denderbode, die het katholieke stadsbestuur gunstig gezind is, vraagt zich dan weer af waarom sommige ondankbare kritiekasters ‘het verdiep onder de viaduct aan de Dendermondse steenweg den Helleput noemen’. Minister Helleputte beloofde in 1906 een vlotte afwatering onder de te bouwen viaducten, waar de rijbaan zou verlaagd worden. Vooral de konker aan het oude kerkhof van de Dendermondsesteenweg overstroomde echter geregeld: de Helleput dus! De Denderbode heeft het consequent altijd over de viaducten; men verlaagt zich in deze gezagsgetrouwe krant niet tot het volkse dialect van ‘Pie Zeveraar’.
Maar Daens blijft koppig het woord konker gebruiken, ook in Het Land van Aelst, maar dan eerder als dichterlijke vrijheid: ‘Nat en donker, de wereld is een soort konker…och, leven is  lijden en sterven is elks erven ‘. Als volksvertegenwoordiger wordt Daens wel eens meer pathetisch, zoals in  zijn nieuwjaarsrede, uitgesproken in het lokaal in de Lange zoutstraat en aangehaald in De Werkman van 8 januari 1915: ‘Het jaar 1914 eindigt in een konker van lijden en smarten’ (zijn stem wordt belemmerd door tranen, voegt de verslaggever eraan toe). Maar doorgaans is Pieter Daens nogal concreet, vooral als hij de Aalsterse ‘Stadskemels’ bekritiseert - en volgens hem zijn er heel wat: de Brug der Zuchten of Kemelsbrug (Ponte di Sispiri), aan de Houtkaai over de Oude Dender gebouwd maar een letterlijke sta in de weg van de scheepvaart; de eletriekkotjes op de Kat, Houtmarkt, Bauwensplats en St.-Annabrug, het Kapellekenbeek aan de nieuwe Dirk Martenstraat, dat hij een lompe Arabische toren en Sarrazijnse kapel noemt (Liberaal De Windt voegt eraan toe: eene peperbus); de nieuwe laan (later Leo de Bethunelaan genoemd), die men ‘van aan de Posthoorn tot aan de Zeebergbrug’ ‘’effen pas’ wil leggen zodat aan het kerkhof de omliggende gronden anderhalve meter hoger komen te liggen en de nieuwe laan er als een (open) konker – daar is het woord weer- door het landschap snijdt en de Kerkhofdreef met de mooie bomen ‘gansch kapot’ helpt. Alleen maar omdat de automobielen rapper zouden kunnen rijden, voegt Pieter Daens er nog aan toe. Maar ook behoren tot de stadskemels dus de talrijke konkers: ‘aan de Hooge Vesten, de Molendries, Vaart, Gendarmeriestraat (=Denderstraat) en Katterstraatpoort (=Denderm. Steenweg)’. In het Land van Aelst van 26 februari 1911 trekt hij, na een bezoek aan Gent, waar het natuurlijk allemaal veel beter is,  nog eens van leer tegen de ‘Principaal der kemels’: ‘Aan de Dampoort is de konker luisterheid en t’Aalst is vuiligheid. De brug in d’hoogte behagelijk, t’Aalst aan Molendries is zij afzichtelijk.’
Vijftien jaar later laat De Volkstem, die altijd het woord viaduct gebruikt, zich verleiden het woord konker af te drukken, maar dan wel in advertenties: ‘Kwartier te huren: Varenlaan 1 (Konker)’. Het woord is blijkbaar in het taalgebruik van de aalstenaar doorgedrongen. De socialisten (Recht en Vrijheid, 1925) hebben het echter steevast over de viaduct aan de Molendries en de Liberalen (De Liberaal, 1937) over de viaduct van de Dendermondse Steenweg.
Eigenlijk is het dus enkel Daens die het in zijn kranten De Werkman en Het land van Aelst over konkers heeft. ‘Pie Donsj’ schreef wel meer dialect in zijn krant. Op zijn adreskaartjes stond ‘Chipka’, wat de verspreiding van deze volkse naam voor het eiland tussen Vaart en Oude Dender zeker in de hand gewerkt heeft. Zou het kunnen dat zijn voortdurend schriftelijk kabassenen op de Aalsterse ‘konkers’ eveneens geleid heeft tot de inburgering van dit oude middelnederlandse woord in het Aalsters dialect?

Hoewel Pieter Daens de konkers lelijk vond, moeten we hem dankbaar zijn voor de redding van dit mooie woord!

KONKEL, KONKER: Draai, kronkel, winding, draaikolk; bij overdracht: ronde gang, kamer, ruimte; vgl konkelfoezen: slinks handelen, (ver)draaien. Elders (W. Vlaanderen) nog voor goot onder een brug (zogenaamde ‘duiker)’, te Gent voor: gewelfde brug boven waterloop…

Voorbeeld: ‘Dan wensch' ick ... eenen konckel onder d'aerd Daer dat ick soude zijn bewaert’ Justus De Harduyn (1629).

Hits op het internet: 243, waarvan 1/3 Aalsterse konker, 1/3 Noord-Nederlands voor kanker en 1/3 rest (achternaam, tikfouten voor donker…)

Hits in Aalsterse kranten: 31, waarvan 7 in De Volksstem (pas vanaf  1928), 1 in De Volksgazet, 4 in Het Land van Aelst en 19 in De Werkman, dus 23 in de Daens-pers.

Terug naar boven


De spin van Rubens

Een spin in de morgen brengt kommer en zorgen, een spin in de middag brengt geluk in de derde dag en spin in de avond is verkwikkend en lavend, luidt een oud spreekwoord. In het Aalsters klinkt dat zo:
 ’s Meires  drik, ‘ s noenes gelik,  ’s auves min - de spinnekop heit den doeivel in. ‘Drik’ (druk) wil zeggen de druk van het leed, de miserie, verdriet. En’ min’ betekent liefde, geluk. Maar toch met een addertje in het gras, want de duivel zit in de spin. Niet zo verwonderlijk, want de (venijnspuwende, giftige) spin is altijd al synoniem geweest voor de duivel.

Op een eind 17de-eeuwse zilveren penning van een ongekende kunstenaar staat een tekening naar een zekere Ericus Walten van een spin, op de loer in een net met vliegjes. De spin is de duivel, de vliegjes de zondige menigte. Geen wonder dat bijgelovige mensen  bang waren voor spinnen: de duivel kon erin zitten en die verstrikte in zijn net  de zielen der zondaars! Die Walten, een vermaarde Amsterdamse pamflettist, was zelf niet bijgelovig, hij geloofde niet eens in de duivel; wat hem door zijn tijdgenoten kwalijk werd genomen: hij is dan ook als ketter in gevangenschap gestorven.

In de 16de en 17de eeuw stond de spin trouwens ook symbool voor ketterij. Hing ze in een gescheurd net, dan duidde dit op de overwinning van de contrareformatie op de ketterse leer der protestanten. Onder andere in het schilderij De Aanbidding der wijzen (1624) van Pieter Paul Rubens is deze symboliek te bewonderen. Misschien liet de barokmeester zich ook inspireren door het verhaal van de Heilige Norbertus, die tijdens de mis een enorme spin in de wijnkelk zag vallen, maar deze toch, in doodsangsten weliswaar, uitdronk. Hij deed een schietgebed… en niesde de duivelse spin uit!

Terug naar boven


Waarvandaan komen onze ‘abbeliekes’?

Je ziet ze niet meer, die kleine koekjes, gebakken op eetbaar wit ‘hostiepapier’, zelfs niet meer aan een ouderwets kermiskraam. Nochtans, eertijds waren ze een vaste lekkernij op elke kermis, niet enkel in Aalst, maar ook bij voorbeeld in Lokeren, of in Lebbeke, Dendermonde en andere dorpen. Verleden tijd… jammer maar helaas.
Maar waarom werden die koekjes nu ‘abbeliekes’ (of ammeliekes’) genoemd?

In het woordenboek der Nederlandse Taal, waaraan honderd jaar gewerkt is door de taalkundigen van universiteiten in Nederland en Vlaanderen, vinden we de volgende uitleg:

OBLIE (uitspr. o-blie), znw. vr. en m., mv. oblieën; verkl. oblietje, mv. -tjes. Van het Fransche oublie, mlat. oblia, obleia, oblagia, nevens oblata. De oblata is eigenlijk, in de Kath. Kerk, de benaming van het misbrood, dat rond van vorm en in een met figuren voorzien ijzer gebakken is bij uitbreiding werd de naam reeds in de middeleeuwen toegepast op een dunnen ijzerkoek uit meel en water vervaardigd.

Doch, de abbeliekes van onze grootouders waren geen flets smakende, witte dunne hosties die aan het verhemelte bleven plakken. Dus hier klopt iets niet. Onze ‘oubliekoekjes’ zijn inderdaad  iets totaal anders. We hebben ze niet aan middeleeuwse monniken te danken, maar aan 19de-eeuwse Luikse inwijkelingen: de Italiaanse roomijsmakers, die de naar het Noorden kwamen en met name in Luik speciale koekjes maakten voor hun ijsjes: hoorntjes, maar vooral wafeltjes. Die leken qua vorm en uitzicht op hosties, op oblietjes dus*. En vanuit Luik zijn die gewafelde koekjes ook in Aalst beland, waar deze oblietjes verbasterd werden tot abbeliekes.

*Reinders, P. : Een coupe speciaal, de wereldgeschiedenis van het consumptie-ijs. Veen, Amsterdam, 1999, 670 blz.

Terug naar boven