In 't Oilsjters vlag aalst
Woordenboek
Alle woorden
 
Algemeen Nederlands (waarvan men wel eens denkt dat het typisch Aalsters is)
Zuid-Nederlands (waarvan men wel eens denkt dat het typisch Aalsters is)

311 gevonden.
 

Gevonden woorden.
O, ge lange zwizje zwazjen
Van wor komde gè gedrazjen (= slang)
O ge kert (of: klein) geschoeren gat
Woorom vraugde ge me dat? (=gazon)
Langen, ma’k on a gat kommen hangen, ‘k zal aal de vissen vangen
ACHTERSTAUK 1 afgekeurde hop; Achter staak gezet zijn: beteekent dat iemand zijn hop afgekeurd is, b.v. omdat ze niet droog genoeg is en deze dus op de markt niet mag te koop staan maar wel eenige meters daar van daan. Jac. Van Ginneken, 1914: in hoofdstuk De taal der Hopkwekers, p 381 Handboek der Nederlansche Taal,woordenlijst der hopkweekers te Wieze (René de Mauwere); Als een boer op de waag komt en zijn hop is niet zelfkant, hij krijgt een habbe en een beet en zijn hopvliegt achter staak LandvAalst 11/4/1897; 2 over tijd, bedorven (van voedsel, vooral van vis; ook figuurlijk: bedorven, zedeloos vuile fransche gazetjes. ’t Is gemeenlijk avarie, achter staak, afval De Werkman 8/10/1875; Als iemand de biecht daarlaat, aangebrand! Look in den meersch! Visch achter staak! De Werkman 17/4/1885; Wij vreezen man, dat uw kartel waterpladijs achter staak zal zijn! De Denderbode 31/3/1898; Haring die al wat achterstaak was en begon te stinken, L.P. Boon in  De Kapellekensbaan , 1953;  3 overdrachtelijk: En d‘ huismeesters der gegeime slechte huizen klagen dat hun huis achter staak zal zijn De Werkman 14/4/1882
AFKESTEN afslaan (zen vraa afkesten).
AFPROSSEN iemand afprossen: afbeulen.
AKKETATJEN boks, slag. (Antwerpen: akketaat; Ramsey Nasr, Antwerps stadsdichter 2005, in ‘voor wie in vreemde land’: wij hadden sjieke akketaten in stock gaven ze bijna gratis op uw bakkes)
ANDEREN in: - met den anderen: en dan opeens, kort daarop; wijst op tegenstelling, wisselvalligheid, onstandvastigheid: A zeit dit’n en met den anderen beweert’n dat’n.
*AZJEL (vgl. Brabants atsel: ekster)
BALEN in -‘k hem dor men balen loten pellen - z’hemmen men balen dor goed gepeldj: ik heb me daar behoorlijk in de luren laten leggen, ze hebben mij daar goed liggen g’had.
BALEREN in: -baléren handschoenen: handschoenen van zacht, soepel leder (vgl. baai: grof flanellen stof)
BANGTES vapeurs. Het woord ‘bang’ bestaat behalve in deze betekenis  niet in het Aalsters, het gangbare woord is schrik (Zuidn. Idioticon, Schuermans en De Bo 1865: bangte: benauwende zoelheid van de lucht).
BEIRGAF in: -’t precies bergaf ba a: gezegd tegen iemand die flink doordrinkt (ze goon goe binnen, de pintjes).
BERRE in: -toch ne kir op de berre kloppen: aandacht vragen, onder de aandacht brengen.
BISJTEN in: -zen bisjtjes doeid doeng:  zich tegoed doen; van: zijn luizen vangen? zie V. Vanderslagmolen in ‘Koppen van bij ons’, Asse 1965:’Gewoonlijk deed Gielen Zwak zijn beestjes niet dood, maar gooide hij ze een eindje van zich weg’.
*BIZJEKEN lieveling (koosnaam). (van Fr. Biche: hinde, lieveling)
BLET in: -ze zitj dor op heren blèt: platteland, buitenverblijf. (1 inf.; ook Brussel?)
BLOED zen bloed roldegen, was gerold: stolde, was geronnen van de schrik. Pieter Daens over een storm in de stad (Het Land van Aalst 15/11/1891):
bloed 
BLOESJ in: -Go j’ mei?  Joik, nor Bostroei (=Baasrode), op Jaan bleift thois zenne waugen, bloesjen sloon in ’t woter me nen haaten leiper! Afzien van een onmogelijke opdracht (blutsen slaan in het water:  het onmogelijke realiseren, miraculeuze dingen trachten te verwezenlijken.’ blutsen slaan in het water’:  heeft 3 hits op het internet).
BOELVAAR POEF Erpestraat. Tot 1921 Buurtwegstraat; door de maatschappij Ons Huis werden leningen verschaft voor de ‘huizen Van Rekkem’, maar de meeste bewoners moesten het ‘laten schieten’, o.a. Zotte Guido (VdBergh), die, zelf slachtoffer zijnde, de naam van de straat uitvond: ‘t Es hier pesies den Boelvaar Poef’’. In 1930: Erpestraat.
BOETERMELK in: -Ge zetj nog veil boetermelk voil mauken, mé iene kier in te schoiten: mislukken, niet slagen, ontgoochelingen oplopen. Denderb. 9/11/1879: Wat zullen ze botermelk vuil maken! … ’t zal wreed zijn. WNT (Zn.): Ergens niet veel botermelk vuilmaken: er niet lang in dienst blijven (van dienstpersoneel); niet lang genoeg blijven om brokken te maken.
BOETRAM in: - ik hem er nen boetram van binnen:  Ik heb mijn portie (miserie) wel gehad
*BOLJE ook: primitief hek aan weide, bestaande uit draadwerk en los paaltje van: baalde: afsluiting, hek. Zn: slagboom aan een weide. (Hofstade, Ninove; Zottegem: baalding). In: -van de bolje in de zep gerauken: aan lager wal geraken.
BOTTER ernstige val, botsing. In: -nen botter goon:  serieus vallen: Ik ben me dor nen botter gegoon. De Denderbode 25/6/1908 (over fietsbotsing):  Alle drij klagen ze over inwendige pijnen. Ze moeten ‘nen botter zijn gevlogen.  Ook figuurlijk: een gang gaan, slecht uitspelen: as ge ni opletj, zej nen botter goon!
BOTTEREN 1 bonzend vallen, stuiten (vb: van de trap botteren: afdonderen) (AN botten, bodderen) 2  botsen LvAelst 21/8/1981 … ge zoudt die Ministers zien botteren! De Werkman 1/8/1890…de Prins uit zijn gerij botteren, met zijn wezen tegen de stenen. LvAelst 26/9/90 twee koopwarentreinen die op een botterden . De Werkman 28/10/90: Arm Europa, als die legers een tegeeen botteren: ze zullen zalles dijsteren en smijsteren. De Denderbode 7/10/1908 Pas op of ook eens zal het volk u langs de straat sleurren dat uw hoofd tegen de kasseisteinen zal botteren.
BROEID (A.N.) -in: - op a broeid kroigen, vb. ik kreeg dat dor op men broeid: de schuld krijgen, door het lot toegespeeld krijgen.
BROESKES korte vrouwenkousjes.(vgl. Zn. broezen: oppoffen, bv. broesmouwen).
BROIN enkel schriftelijk in procesverslag Aalst 1472: ‘Ik zal u nen bruinen verven! (verven = aanstrijken, bruinen kan duivel betekenen, maar de variant ‘nen bruinen bakken’ verwijst dan weer naar kakken).
*BROKKELPAK 3. deugniet, iemand die onschuldige dingen uitsteekt: Goi zet toch oejk een brokkelpak!
BUFSTIK biefstuk. Werkman 23/3/1883: ’t Muskadynske smulde vleesch binnen en zijn bufstik afgeknaagd hebbende, wierp hij ’t been naar den hond van den beestenkoopman. Denderb. 31/3/1895: …een brief waarin de “geloofweerdige” vertegenwoordiger van Chipka zegt dat hij met Anseele te Brussel een bufstik heeft geëten en eene pint gedronken.1987, onderwerp carnavalgroep ‘Eirg’: Peisde geir na echt da ge bufstik kroigt?

DALF in: -annen dalf villen, mennen dalf zitj vol: zijn kas vullen, volgegeten zijn. ( 1 inf. Mere?)
DANSEN in: -oitgeslibberd es oeik gedanst: als het er maar een beetje op lijkt is het al goed.
*DELPER -in: wieken delper: spottend gebruikt voor iemand met weinig ruggengraat of weinig 'ballen aan zijn lijf' (ook: wieken tek)
DELPERPRIT vagina zonder schaamhaar: 1 van kind (dat nog op deurdorpel zit) 2 (euf.) geschoren (zie ook BLANSJKEN). 1 inf.
DELTJ in: -deltj om deltj: half om half, elk de helft.
DENJER in: -as ek men geldj in den Denjer smoit, zien ek het te minsjten nog droiven: dit zou een totaal nutteloze, te dure uitgave zijn! (1 inf.)
DIANTER (Z.N.) 1. duivel.  2. bedrieger 3. haveloze, stakker. Van Fr. diatre, euf. voor diable; in: -om den dianter niet!: in geen geval (Het juiste woord, dr. C. Bauwens, 1928/1941) (ook: Leuven, Brussel…). Djanters! Zal men ons vragen, wat mogen die liberale slimmerikken die hunne tegenstrevers lichtdompers durven heeten, met vrouwenarbeid bedoelen… Zeemenis menne God! (Aalst, De Denderbode, 26 april 1874)
DIK in: -nen dikken kop hoor: dik hoofdhaar (vgl.: nen dichten boord).
*DJANTER sukkelaar (vgl ZN Dianter)
DOBBEL GELEDJE(N) groot persoon  een dubbel gelede kornuit, hoog van steek… (gebr. Draeckmans in Nieuwe Gazet van Aalst, 10/6/83)
DOEIVEL (Z.N.) in: -den doeivel ver annen nievejoor kroigen: een geducht standje krijgen, stank voor dank krijgen, verwensingen toegeslingerd krijgen. (Joos, Zuidnederlandse zegswijzen, 1887).
DOMINO (A.N.) loshangend zwart (zijden) gewaad met kap op gemaskerde bals enz., afgeleid van priesterkleed (een priester zegt vaak: domino); reeds in 1757, Alkmaar.
DRAZJEL (DEN -) wegje omgeving Rozenweg en voetbalterrein Kleistraat.
DROIDOBBEL (A.N.) in: -droidobbele zot: driedubbel: driemaal zo groot, meer dan dubbel. Erasmus, 1559: Sy zegghen dat hij (te weten Erasmus) een driedubbele ketter is; Streuvels: driedubbele steenezels zijt ge!
DROIN in: -iemand iet droin: wat zakgeld, drinkgeld geven.
DRUKKELIJK (Z.N.) leedverwekkend; in: -ver een drikkelèk zing: voor een drukkelijk zien: voor een geringe prijs, goedkoop; ver een drikkelèk zing moeten weirken: voor een karig loon. (o.a. Antwerpen, 1900)
EFFEN (Z.N.) in: -op zen effen komen, zitten: in zijn oude doen zijn. (effen is kwaad te passen: het is moeilijk niemand kwaad te doen).
EIREMENSJENPATEIKEN merveilleuken
EIREMENSJENTOORT geïmproviseerde taart met petit-beurtjes.
EIREMKES in: -gien eiremkes, gien koekskes: als men de middelen niet heeft, kan men er niet aan beginnen (de koekendoos staat meestal hoog in de kast).
EIRPEL in:-zu blendj as nen eirpel, zu dom as ne eirpel  LvAelst 27/11/1881: Ge zoudt moeten Turk of Barbaar zijn of zoo blind als ner erpel. LvA 13/10/1884: Zoo doof als ‘nen erpel en zo dom als een Waalse kalsei.
ELLEFSTEN VINGER erotica: mannelijk.
ERDEBIE, ERDEBIEKEN pittig en lief meisje.
FIJOLIETEREN 1 neuken. (vgl. A.N. violeren: verkrachten) 2 (rond)hossen. (enkel in cursiefjes Dolf Boel: Voorp. 29/6/1979: En do teigen ziemen verdrom de kèrrewoages en de stoeitkeirekes fijolieteren op stroot. Id. 14/9/1979: En door ten mor fijolieteren langst aal die smaal stroten in ’t Saar,…, meh pitten va nen halve meiter diep. Id. 10/8/1974: Ne ghielen dag rondfijolieteren meh brommers en lawoyt moaken teigen de steiren op. Id. 22/2/1980: …en ‘k zing die jongens (poliesje en zjandarremerie) liefst zu min meigelèk tissen de bezoekers (van vasteloavend) rondfijolieteren, mor…
FLANSEN (Z.N.) haastig en zonder zorg in elkaar zetten, aaneenbrengen (ook: aaneenflansen, ergens iets tussen flansen).
FOEF erotica: vrouwlijk.
*GANK in: -ne gank goon toevoegen:  (ook: Brussel)
*GANK in: -ne gank goon: een vaart gaan (ironisch). Den Denderbode 25/3/1860: Pas op, gy zult het vlees eenen gang zien gaen! (over vermeend gebrek aan draf als krachtvoer voor slachtbeesten door de verhoging der accijnzen op jenever).
GARDE in: -d’Aa Garde: Harmonie Les Vrais Amis Constants, opgericht in 1787; oorspronkelijk Napoleongezinde, later liberale muziekmaatschappij (nu: DOGA), die o.a. de dinsdagoptocht  (voil-jeanettenstoet) voorafgaat.  Denderb. 28/4/1850: Het muziekgenootschap deézer stad, gezegd de Oude Garde, … , heéft zaterdag aan M. D’aubremé, kommandant in ’t peloton burgerwagt te peêrd, eene fraeye serenade gegeven. O.Tieger 15/6/1931: Z’hemmen doeng de rollenden treooter kommen van Deiremonne (d’aa garde heit er op gespeldj). ’t was pecies ne peerekesmeilen meh zonder peerekes. Voorp. 15/2/1985: Om zes ieren ’s auves werd Loeken Tatjen as prinsj van Oilsjt, oongesteldj in ’t Stadhois. Noding goon ze ten mè d’ Aa Garde de Kantinjeer tois opzoeken. -de Jonge Garde: muziekmaatschappij ‘Al groeiend Bloeiend’, gesticht in 1821 door notaris Evit als afscheuring van de Oude Garde. Werd later ‘het muziek van de bokken’ (katholieken). Denderb. 15/12/1850: …omdat zij vreesden dat Smerdis (=bedrieger; bedoeld wordt de liberale notaris Evit) geen … van het comiteyt der Jonge Garde of muziekgenootschap meer zou herkozen worden. -gardavoe: opgelet;  let maar op, jij/jullie. Werkm. 22/10/1880: Ik zeg u dat; ik Pietjen  de Dood; en ‘k roep tot u: Garde à vous! Aardebewoners, gij bijzonderlijk goddeloozen, maakt u veerdig! Voorp 21 5/1976:…hoeirde de mensjen zaugen. Oever dat nie ’n wilt regenen. Mo gardavoe as ’t er twee, droy drippelkes vallen… Id. 5/8/1977: Tooiten a oeiren, tèn meigde zeikes zèn da er oever a geklapt of gezjieverd werd. Es ’t a linker oeir, tèn zèn ze goed oever a on ’t vertellen, mo gardavoe as ’t a rechteroeir es… ( ZN.; Frans militair bevel: garde à vous)
GAZEVIER een eletrikken gazevier: een elektrisch fornuis (vgl een plastikke haatespelle, ne koeperen oizerdrood)
GEKLABETTERSEL gekakel, geklabetter.
GELDJ in: -geld of slaugen: gezegd bij jeuk aan de hand: nu volgt geluk of ongeluk
GELOIK (A.N.) in: -van 's geloiken: van 's gelijken, ik wens u hetzelfde; bv. bij groet, nieuwjaarswens. (spreektaal). In: -alle geloik: in elk geval, om het even, niettegenstaande.
GENDIE degene die,  diegene die, hij die, wie dat. in: -aal gendie: al wie, al die. Ik noeme schrijvelaers de geene die hunne pen aen de eene of andere party verkopen ... schrijvelaers, degeene die de kolonnen van de gazetten met zedenlooze artikelen opvullen… (Den Denderbode 6/2/1848). Degene die nog schuldig staen  in eene gevallen verkoping, zullen noch als koopers noch als borgers aenvaerd worden. (Den Denderbode 27/10/1850).  Alle degene die de stem hunner herder hoorden voelden zich waerlyk gelukkig. (De Denderbode 13/2/1895). Diegene die het geluk hadden om dat tentoon gestelde schouwspel te volgen… (De Voorpost, 7/1/1976).
GEREN in: -a ziet zen zelven ni geren (zie ook bij PROFOITIG): hij heeft een zure gelaatsuitdrukking.
GEROKKEN in: -ik waa da’k meiren gerokken lag: ik wou dat ik dood was (van konijn, dat het fas afgerokken wordt). (Lede)
*GESHOER koe (Mijlb.).
GESTAMPT in: -gestampten boer: lompe boer, onbeleefderik, die niet uitmunt in wellevendheid (Dimitri Verhulst in De Morgen, 30-08-2008: Ik heb hem niet voorgesteld hem te brengen tot aan bij voorbeeld een bushok, een treinstation. Helemaal niet heb ik. Een gestampte boer ben ik, mijn moeder had gelijk.)
GESTELTJ in: -schoein gesteltj zen; goe gesteldj zen: er niet zo fraai uitkomen.
GETAUKEN iemand ontmoeten, treffen; het tegenovergestelde van schapeiren. (verouderd Nederl. taken: grijpen nemen, vgl. Engels to take, Zn. Getaken: aanraken.
GI gij; enkel in de uitdrukking (anders: goi, ge, gè): o, gi maneken O , gi smeerlap … Een bloemlezing uit de Aalsterse kranten: O gi groene krawat ! (bedoeld wordt Pie Donsj) O gi groenen hennewiut!  O gi erpel! O gi  droeven stjol, o gi patrones der commeeren! O, gi domme kakstoelen! O gi  stjol, gi duts, gi langstekant! O gi schelm Vosselaer!! O gi vervloekte prij, O gi sulkersloor! O gi belachelijken kemelschieter!O gi Hollandschen kaas!, O gi sukkelaar der sukkelaars amen! Enz.
GLOIREWEIRK (A.N.) gleirewerk: fijn aardewerk, glinsterend aardewerk, majolica; gleis: soort pottenbakkersklei reeds in 16de eeuw: pottegrond door scheepslui aangebracht)
GLOZENSNOIR (A.N.) libel (volkstaal).
*GOD ‘We zullen het god en den molenaar laten scheiden: een ingewikkelde zaak laten voor wat ze is (Geschiedenis van Aalst, deel 4 p385, De Potter en Broeckaert, 18..). (ook in woordenboeken Gent en Utrecht1858-1870)
*GRAVIEL 2. Nierstenen
GREIMELEN wemelen, warrelen: Da greimelden hier veiren men oeigen.
GREIMELINK gordijn van kleine warrelende sneeuwvlokjes of motregen (van gremel: spot, vlek)
  De Denderbode, 19/5/1905:
  greimelink
  De Dageraad, 1910:
  greimelink
GREIMELKEN -e greimelken: een beetje, wat. Voorp. 22/2/1980: En da ze nane kir da greimelken verstand da ze na toch ghiel zieker hemmen, rèzzekes zooen gebrooiken… Vgl. sjirripken, broizelken, titterken.
GRES kolengruis; moest nat gemaakt worden om wat te klitten opdat het niet door de kachelrooster zou glijden; lage kwaliteit in tegenstelling tot antracietkolen.
GROEIEN in: -da groetj oit zotten: dat groeit gemakkelijk, woekert; da groeit hier oit zotten: dat tiert hier welig.
HAAFELEK (Z.N.) houdelijk: in -‘t es ni haafelek: niet te harden, niet te houden (van de pijn) (alleen in negatieve zinnen)
HARAS in: -beiter ienen haras as tieng toneikes (1 inf.): beter een goed, degelijk, groot stuk dan tien kleintjes ((bv. dikke snede brood). Van Fr. tonneau: laag open tweewielig rijtuigje en haras: paardenfokkerij.
HAZJEKEN beet, snauw van een hond.
HEMMEN in: -’t es van ‘k zal a gon hemmen: maar zus en zo, niet perfect uitgevoerd.
HENNEN onnozelaar, pantoffelheld (van Henne, Hanne>Joannes)  2  Zeveraar, dom kieken, domkop (van hennen, hen = kip) vgl.  eirpel, (ken)hoiben, kailjn, en vr. kalle, goele. De Denderbode 4/11/1849, over plagiaat: zou hy niet zeer wel aen de gaey (by ons Ennen) gelyken, die na zich met de pluymen van den pauw beplakt te hebben.., 24/2/1867: Heeft den logieraed u niet gezegd waar ik zoo al den Ennen, Wuyten of den Uyl gespeeld heb? 11/5/1885: die sedert zyne dugtige klopping niet meer te zien is maar elyk eenen uytgeteerden ennen, altijd op zijn stoksken schijnt te zitten. 1/5/64 Zou men zeggen dat er nen Ennen  van Meire  nedergedaeld is die hem begaefd heeft met een schitterend verstand.  De Werkman 4/8/1916 Daens over de ‘Park Ydille’: Wat komt er uit eenen Ennen Wuyten? Niets anders dan dwaasheid met tuiten.
In: -der nen ennen van doeid doen: er ver mee komen, er slecht mee uitspelen: De Werkman 7/10/1888: D’Ouders die hun kinderen op straat laten lopen of bij slechte gezelschappen doen er later ‘nen ennen van dood. 8/3//89: De Socialisten zijn bezig met ’t kieken te dooden om spoediger d’eiers te hebben..Ze zullen er ‘ne vetten ennen van dooddoen! DeWerkman 9/1/1880 Die met de vrijmassons doet… Hij zal er in ’t ander leven (=het hiernamaals) ‘ne fellen hennen mee dood doen.
In: -gelijk ne manken ennen: schabouwelijk, flauw, onbeduidend, armoede troef. Land v Aelst  LvAelst 26/11/1908: De trein gaat voort als ‘ne manken Ennen. -Van de manken hennen hemmen/zèn: flauw, onbeduidend zijn, mislukt, niets waard . DeDenderbode 16/7/1876: Wat het vuerwerk betreft ’t welk onze kermisfeesten moest bekroonen, moeten wij rechtuit zeggen dat het van den manken hennen was. 6/2/1998, Men meldt ons dat de meeting der groene socialisten (=daensisten) van den manken hennen is geweest . 7/9/1899: De wijkmeetingskes van de blauw-rood-groene cartelisten hebben geweldig van de manken hennen. 18/11/1900 ’t Was waarlijk kamank en maljonnig. ’t Was effenaf van matante, van den manken hennen .De Denderbode 6/6/1915 (over de tweedracht Vonck en Van Der Noot in 1789): Waar er geen eendracht is, daar is het van de manken hennen.
HERDABIEKEN fel, mooi meisje.
HIETE REK Ingang Jelie (deel evenwijdig met Koolstraat) (Rek: strook, straat, weg)
HITTIGORD opvliegende, prikkelbare persoon. (A.N.: 1.geil 2.prikkelbaar 3.vurig, hevig)
*HOEBEN EN TOEBEN (Z.N.)   Hoppen en toppen, waarbij hoppen huppelen en toppen draaien zou kunnen betekenen: ‘Zij vrezen de ledigheid en de doodende verveling en ‘hoppen en toppen’ maar voort.’ in Roofvogels, novelle van L. Van Op den Bosch.
HOEIGTAG in: - alle hoeigtaugen insj/ne kir: alle maneschijnen, zelden, hoogst uitzonderlijk, af en toe.
HOIS in: -een oigen hois hemmen: een buil opgelopen hebben.
HOOR (A.N.) in: -ba ’t hoor getrokken: overdreven, opzettelijk verkeerd toegepaste redenering.
HOTEL PIZJELOE hotel met kamers per uur hoek Koophandelstraat en Cumontstraat.
*HUIBEKEN Het Land van Aelst, 23/3/1890: 'Op korten tijd zijn 't Antwerpen 3 proces-verbalen tegen Beenhouwers die slechte foetseling van vlees kapten in sosiskes, huibekens en frikandellen'
IENIERENSPEL middagvertoning cinema (begon feitelijk om 14 uur).
*IK in: -nen ik en ne goi: (snit en naad) snel aangebrachte, onzichtbare zeemsteek
JANEN erotica: werkwoord. (vgl Zn. jannen: de baas spelen)
JANVERDI 1 bastaardvloek: verdorie, potverkoffie.  LvA 23/1/1919 (over de ophoging van de spoorweg): Janverdi! Welke groote werken!‘t Is getooverd!  DWM 4/4/1879 (over de liberale schoolwet):  Ze moesten,  janverdi ,naar Brussel  trekken, en daar Janverdi, geen ruiten uitsmijten, gelijk  de Geuzen doen, maar de vuisten toonen   en zeggen:  we zijn hier, met uw vervloekte wet! 2 Vanouds gekend zwaar bier (dubbel extra) van Brouwerij De Gheest, in december 1932  (en 1933) opnieuw (beperkt )voorradig .
alt De Volksstem december 1933

JONGEN in: -wienze  jongen zedde goi dè? Smalend gevraagd als jonge wijsneus zich in gesprek van volwassenen mengt.
KABASSEN in: -op iemand kabassen: vitten, op de kap zitten, afgeven.
KABBELEN brokken in de saus krijgen (door niet genoeg te roeren, of eerst geen temperken te maken)(zie ook:  kappelen)
KABEROIN stoofkarbonaden, inz. met grotere stukken vlees. Meer gangbaar in het Aalsters is: stoeveroi.
KABREI cabaret, plateau, o.a. ronde verlakte schenkbladen in cafés.
KADEI (Z.N.) (fr. cadet) 1. iemand die in het goede of kwade uitmunt, die ergens een hele piet in is: 't Es ne kadei, a drinkt alles tot de leste seng op. Dieë jongen es ne felle kadei in ’t lieren; ook in toepassing op zaken: iets puiks, uitmuntends: Dat es kadei van bier! Proeft dennen trappist isj, dat es andere kadei as Leffe. 2. kerel, vent (ne vieze kadei, nen oordige kadei) 3. kadeeën, kadeiën: kleine jongens, kinderen: Die klein kadeiën loeipen zu loot nog op ’t stroot, de bloedkoesj zal heer tienen afroin!  5. drol, stront. A heit in ne kadei getorren. Past op, door lei ne kadei.
KADEMIESOERT destijds scheldwoord   (sociale woningen Tir, Schietbaan), voor inwoners die van de behuizing in de academie (Oud Hospitaal) kwamen. Geuit door inwoners die uit de barakken van Mijlbeek kwamen, die dan weer door de anderen soert van Moilebeek genoemd werden.
KAKKEBIESJ uitgesloten bij spel (1 inf.)
KAKKELAFOEI A.N.: foeikak.
KALISJEKLOESJER verkoper van zoethoutwater (kalissewater)
Het was zwart en er dreef schuim op dat een bruinige kleur had. Het werd gemaakt door zoethoutstokjes in water te weken en dan te schudden tot de drop oploste. Vervolgens moest het ‘rijpen’ op een koele plaats.
KALOT (Z.N.) lang haar voor mannen, pagekop (vgl. beatlekop), pruik. (AN. voor mutsje, alpinopet)
KAMANK (Z.N.) gebrekkig, slecht te been, ziekelijk; kamant woter: brak, ziekmakend water (van: kamant)
KARRALJ (KARAIL), KARRALJEKES steenslag, meestal van grijze steenbrokjes, in tegenstelling tot graviel >rood, van gebakken stenen of dakpannen. (van karrel= korrel?)  (ook Pajottenland, Ninove, …)
KAT in: -ik zol der men kat van spreiken: dat zou ik zeker niet doen, niet willen. De Werkman 18/5/1882: Is dat vrede, is dat glorie? ‘k zou er mijn kat van spreken van alzoo een Krooning (vd Czar van Rusland). 21/21890: Parijs…hier eens komen, ja, maar hier wonen, ik zou er mijn kat van spreken., De Denderbode 5/1/1902 (aanhaling woorden Daens): ‘k zou er mijn kat van preken, mij alzoo in nesten te steken voor ne vreemde risipé, ‘ne fakken die meent dat hij den afgod sjupiter is, voor een krabbe, hij (=Woeste) en Baron Bethune met zijn geslepen plattekaasgezicht… Voorheen vooral in de o.t.t. met als betekenis: afwijzen, feestelijk voor bedanken: volgens Is. Teirlinck,  (Z.-Oostvla. Idioticon, 1908-’24) Ik zal er mijn kat van spreken -in Vlaamsch-België: om een verzoek niet al te bot af te wijzen.De Denderbode 12/10/1867: Wy hopen dat dit spel niet lang meer zal duren of wy zouden er ons katte van spreken. LvAelst 2/7/82 En da volkske, Nelle, wilt de pretendenchie hebben van de kingeren op te brengen!  - We zellen er ons kat van spreiken, Trien.
*KAZJEVANG onderkruiper, handlanger, waterdager, ondergeschikte, trawant: 35 hits in verscheidene lokale kranten tussen 1878 en 1912,voorbeelden: -Hij zal u door een van zijn kajevans bij den advocaat doen leiden en die zal u doen leggen (=betalen) Volksgazet 25/12/10, -…correspondenten der slechte gazetten: kajevans en loopers der geuzen Land van Aelst 8/8/1880, -De liberaalderij, die de kajevan is der Vrijmetselaars De Werkman, 14/9/83, -Simon was de kajevan der Jacobijnen,…,droeg de sleep van Marat en Robespeer. De Werkman, 26/2/92
KEBBEKEN kopje, kommetje. in: -e kebbeken scherregossen van kobbe (verkleinwoord kopje, Eng. cup).
KEES (Z.N.) in: zenne kees loten:  zijn kaas laten,  dood gaan
KEIRE in: -teigen iemand zen keire roin: op de tenen trappen, nadeel berokkenen.
KERREKOEL in: -kerrekoel, kerrekoel, a hoizeken brand af!: als lokroep, stimulans tot erectie. (1 inf.)
KIEK in: -van de kiekens (hennen) oit d’ haug gekrabd zen: een bastaard zijn. Feuilleton Het Verloren Kind in Het Land van Aelst 21/11/1909: Moe, vroeg hij te huis, waarom zegt Jaak dat ik van de hennen uit de haag ben gekrabd en gij en vader mijn ouders niet zijn! –Van de hennen uit de haag gekrabt? Neen!  met een koets gebracht op nen donkeren nacht..
KJOEMEREN kommeren, jammeren.
KLIEREN in: -de klieren oon g’had hemmen: in zwart uniform gecollaboreerd hebben met de Duitse bezetter tijdens WO II: Vanoigest was da ne zwerten, a heit de kleiren oong’had!
KLODDEROI moeilijke zaak, moeilijkheden. (van Zn. klodder: kluwen?)
KOEKENBAK (Z.N.)   1 pannenkoek. 2  eierkoek, omelet.  3  het bakken van koeken;  in: -’t es koekenbak: 1, het is raak, het is koek en ei, het is aan, ze zijn verliefd  2 ironisch: het is zover, het moest ervan komen, ’t zit erop, er is ruzie, ambras, raak, prijs (bv.  autobotsing, zwangerschap, doelpunt) (vooral Antwerpen, Brabant, in Aalst vanaf jaren 1970).
KOESJEKOIP beerton ( Lindemans e.a.: Vakwoordenlijst der Hopteelt, 1927). Ton op ‘kerrewaugen’ met hangzeel; oorsprong niet koetskuip, maar koezeikkuip: Koezeik als synoniem voor  mestgier uit een koestal (Cornelissen&Vervliet  Antwerpen1899, A. Joos,  Waasland 1900 en J. Teirlinck Gent 1900).

KOESJELOETER beerlepel, ‘koe-sjiek-loeter’ ook: beerloeter; ovaalvormige lepel met diameter van ongeveer 30 cm en hoogte ong. 10 cm, met houten steel van 1.5 à 2 m, om de ‘koejezjiek’ uit de beerton die op de kruiwagen stond te scheppen en over het land te verspreiden. Ook gebruikt om een het slijk uit de regenwaterput te scheppen. Loeter: Zn. voor beerlepel.

KOESJKEN rolstoel: -a zitj in e koesjken.
*KONKER in Gent en Harelbeke enkel voor overbrugging waterloop (duiker).
KONSERVEKOUSJE in: z' heit een groeite konservekousje: een groot, dik achterwerk.
KOPPEL in: -e koppel van twie: (schertsend, minachtend) een goed samenhangend koppel, twee handen op een buik.  Het koppel van twee van het Verbond, Vleyerman en Belediger DeDenderbode 10/4/1864 (bedoeld worden de liberalen Eyeman en De Ryck, redacteurs van het liberale Het Verbond van Aelst); Wees maer gerust, koppel van twee, wij zullen u eens andreassen dat uw geuzevel er zal blijven aenplakken.  De Denderbode 17/4/1864; Men zou immers eerder tot accoord geraken met de ezels van alle Schaarbeken die er bestaan dan met het koppel van twee van ’t eiland Chipka De Denderbode 2/9/1894 (bedoeld worden de gebroeders Daens); Dat koppel van twee, dien jongen en de meid (dien lemmen en dat jeneverwijf) maakt ze uit mijn oogen of ik doe malheuren! De Wees van Batavia, De Werkman 27/9/18.
*KRAMMEN in: -oit a krammen schieten. (van kram: boekslot, deurschuifslot?)
KROKELAU lichtgerookte bakharing(enkel schriftelijke vermeldingen teruggevonden). Volksst. 14/12/1911: …krokelau, mattenharing, sprot,…, alle dagen grooten verschen geirnaart. Id. 2/12/1920: beste Lammeken Zoet (krokelau) 45 centiemen het stuk, … www.verhalenbankbrugge.be, Jaak Rau over voeding tijdens WO II te Brugge, 26/1/2009: En dan ook vooral, als het seizoen er was, aten we krakelau en levaert, … Dat ware goedkope vissoorten, want nu is een gerookte haring al een luxeproduct, maar in die tijd was dat de biefstuk van de werkman.
LABBEN (Z.N.) slurpen
LABBER (Z.N.) scheldnaam: labbekak (= kwaadspreker, vreesachtig persoon, flauwerik…)
DDB,1849: Wacht een beetje, dronken labber, ik zal u binnen laten met behoorlijke ceremonie!
DDB,1908: De 10 labbers vielen hen op het lijf en brachten hem veel slagen toe (10 dronken kerels tergden en mishandelden de verbruikers).
Ze zou ze kunnen vierendeelen, die labers, MARE, in Gr. Nederl. 1909.
LAM GODS (A.N.) in: -gesleigen zen van ‘t lam gods: eigenlijk: van d’ hand gods:overdonderd zijn, met de mond vol tanden staan.
LAMLOIZIG lui, tam (vgl. AN lamlendig, lam van lenden).
LANDSTEIKEN jongensspel: met een mesje in vierkant stukje aarde werpen en zo zijn territorium afbakenen.
LEI Lede;  in: -Lei, wor dat den hond zen broek afdei : schersend gezegd als men het over de gemeente Lede heeft.  Zie ook: Liedjes en Kinderrijmpjes p 169. (Gent: In Hoboken, woor da ze stront koken)
LEIN in: -zetj a recht op a lein: let op uw zaak, wees alert;  ook: koist a tienen oit! (Zn.)
LETTEN (A.N.) in wa zol der hem letten? wa letj er a?: wat let er u? wat zou hem het beletten? wat zou hem hinderen, weerhouden; wa letj er me!: pas op of ik doe het!
LICHTEN in: -de roei lichten: stoplichten, verkeerslichten.
LIEDJE VAN KLEIN DUIMPJE
Ik lig hier zu weirm
in de koei heren derem
Ik lig hier zu bont
in de koei heren stront
LIEMOILEKEN leeuwenbekje (ook: KONOINEMEULKEN).
LINKER in: -hoe linker, hoe klinker, hoe rechter, hoe slechter: gezegd bij het tuiten, suizen van linker of rechter oor. Doorgaans is het andersom: linker oor: er wordt ergens slecht over je verteld, rechter: er wordt goed over je gesproken in Aalst (en ook in Mühlheim a.d. Ruhr) dus omgekeerd. Vgl, AN 'hoe linker hoe flinker, hoer rechter hoe slechter', waarbij link krom betekent, maar ook bargoens is voor slim.
*LOETEN (Z.N.) gril, nuk, kuren van: loet: schep- of krabwerktuig;dus stug, stijf nukkig als een loet
*LOIRIK luierstoel. (Gent en Antwerpen, 1882, o.a. Jan Van Rijswijck)
LOIS in: -Ge kentj op mennen boik een lois krauken: ik heb mijn buikje rond gegeten. (Een luis kraken: doden, verdelgen door platdrukken: Daer leeren wi luysen craecken, Een Schoon Liedekens Boeck , Antw. 1544)
LOIZEN in: -go ba a metjen heer loizen gon krabben: loop naar de pomp!
LORETTE ‘zonder boik of zonder tetten’: vermeld in Spreekwoordenboek der Nederlandse Taal, P.J. Harrebomée, Utrecht 1858-’70.
MALONJIG (met enkele l): Fr.malingre: ziekelijke. in: -ik sloon a malonjig: als dreiging, ook tegen ongehoorzame kinderen: ik zal je eens mores leren. (verouderd A.N.: malinger (klemt. op -ling-): iemand die door ziekelijkheid, al of niet ingebeeld, niet behoorlijk zijn werk doet. Zn.(Vlaanderen) malengerig: ziekelijk
MALROET de directe lijn “Brussel-Oostende”(spoorlijn 50) over grondgebied Nieuwerkerken.
 “MAL” van de “MAILBOOT” die van Oostende naar Dover voer, en “ROET” van het Engelse “road” of Frans “route” (vgl. ’t Roetjen van Eirp-Meer); dus spoorlijn naar de Mailboot en verder naar Engeland.

MASSCHING (verouderd) misschien. De Werkman 27/8/1915: Jeemenissen Maritika, Sofie… zok masching moeten springen en dansen in deizen droevigen tijd.
MEIBELKES in: -klein meibelkes mauken: 1. brokken maken, iets schenden.  2. de huisraad vernielen.
MEIRBELONENBOS Parklaan, tot de aanleg van het voorste voetbalterrein van het sportcoplex rechts van de Blanckaertdreef: terrein met verwilderde struikvormige merbolaanbomen
MEIRBELOON kerspruim, myrobolaan (prunus dom.cerifera): kleine eetbare pruim,  niet te verwarren met mirabelle (pr.dom. insitia)’De vroegste fruitbloem, marbelaan… ‘ (De Postrijder der Provincie Limburg, 7/5/1902)
MENIET "in: -de voif menieten me iemand haaven: in draai houden, met zijn voeten spelen, niet ernstig nemen. Titel in De Volksstem, 12/10/1912: ""Verdachte houdt de vijf minuten met Parket""."
MESKEIRE 1 vuilniswagen   1 vuilnisophaaldienst: de manen van de meskeire. Ook: voilkeire.
meskeire Den Aankondiger 6 mei 1860
MESSINK (Z.N.) mesthoop
MICHELLEKEN
Trekt on ’t belleken
Trekt on ’t koeireken,
De spetteleer zal goon
MIT van meet: insnijding, voor
MOEISEN in: -iet nor de kloeien moeisen: kapotprutsen. (ook: verkloeiten)
MOESSELIN vloeibare bruine zeep op basis van lijnolie (Fr. mousse de lin; ook Belgische merknaam)
MOSTERDMANEKEN in de St.-Kamielstraat gold de mosterdman als boeman voor nagelbijters; ouders streken zijn mosterd op de nagels van de ‘doorbijters’ en zegden: ‘Eikes, dor es mosterd oon!’
NEIS in: -’t soin annen neis (ook in gebarentaal.wijsvinger onder de neus  doorhalen): daar pak je naast; da za ’t soin annen neis zen (ook: ’t soin a kloeiten)/daar zal je naast pakken.
NEN HERINK ZONDER KOP
Mè meiken kocht nen heiring zonder kop
En hè gerokten ni verkocht
Ter kwampen twie azjenten
die naumen den herink mei
Den herink begost te schrieven
En me meiken schriefden mei!

NIET in:  -ver/as nen doein niet: voor niets, nodeloos, nutteloos. Da stoot dor ver nen doein niet: staat daar maar te staan. De Werkman (P. Daens) 21/2/1890: Brengt men de statie (van Hofstade) meer naar Aalst toe, ze zal er staan als eenen dooden niet.
NOETEN in: -noeten mè hollekes: noten met gaten; slechte, wormstekige noten, fig.: onbetrouwbare, louche zaken.
NOT (Z.N.) gewrichtskom; in: -zennen eirm, zenne schaaver es oit den not: ontwricht
OEVERDONDERD in: -oeverdonderd werren: door dondersteen getroffen worden (Manuel De Visser was aan de Dender in Erembodegem ‘oeverdonderd’ en werd in een karretje naar huis gevoerd; na drie dagen liep hij weer fluks rond). mnl: verdonderd worden: gedood worden door de bliksem.
OEVERSCHIETEN in: -der oeverschieten: er naast pakken, (weverijterm: draad van de inslag verkeerdelijk boven ipv onder de ketting van de inslag) A.N. in de betekenis van overblijven.
*OIL in: -der ston op koiken gelek nen oil op een zieke koei: paf, bedrukt, verbouwereerd, onbegrijpend staan kijken. De Werkman, 7/5/1880: Ze stonden paf te kijken, gelijk’nen uil op een zieke koe. 29/8/1884: d’ eetekoppen van Geuzen stonden bedrukt te kijken, gelijk ‘nen uil op een zieke koe . Schatten van Volkstaal, prof Am. Joos,Gent 1887: staan kijken gelijk een uil op ene kluit, een hond op een zieke koe. De Werkman 7/7/1911: ’t is droef, zei de ui en hij keek uit een ankergat naar een zieke koe (over de begrotingsbespreking in de kamer van volksvertegenwoordigers).
OIREKOEK (Z.N.) 1 omelet. De Werkman 8/10/1877: Hoe meer eiers, hoe grooter eierkoek en hoe meer soldaten, hoe grooter bloedbad! 5/5/1882: …gisteren heb ik zeer wel in den Appel gesoupeerd aan nen eierkoek met hesp (het woord omelet duikt in de Aalsterse kranten een 1ste keer op in 1924 en wordt pas courant vanaf 1947). 2 veelal ovale luchtige koek, met slagroom ertussen (vanaf jaren 1960 populair doordat industriële bakkerijen ze ook gingen aanbieden). Ingrediënten: eieren, suiker, zelfrijzende bloem en natriumbicarbonaat (maagzout).

OIREMERT in: -'t es dor pesies een oiremert: luidruchtig dooreengepraat; Pieter Daens in De Werkman van 14/11/1913: ‘De Kamer (van Volksvertegenwoordigers) is een eiermarkt’
OIREVES in: -oireves van ’t gat: scharrelei recht van de boerderij. (1 inf.)
OITBRINGEN (A.N.) in: -alles komt oit, al mosten de kroin ’t oitbringen (o.a.  H. Conscience).
OKKOZJEPROT 1 oude vrijster, vrouw die al een tijd alleen is. W. Haerens, Twitter 13/2/2015: Op ander daugen komt ze nie oit heer kot, mor mè vastelauved loeipt elke okkozjeprot steikezot. Ook als naam karnavalgroep. Voorp. 18.4.1986 (onderschrift bij foto): D’Okkozjeprotten in vergadering. 2 gelegenheidsliefje. Niels De Rudder, Knack 10/2/2015: Trekt u, wat wij in ons sappig dialect “een okkozjeprot” (gelegenheidsliefje) noemen, wat te dicht tegen uw gillet, dan kan het gebeuren dat u griep oploopt.
OMTRENTJ in -ik ben der ni oon of omtrentj geweist: ik heb het niet aangeraakt, ik ben zelfs niet in de buurt geweest.
ONTSLOESTERD ontbolsteren (Zn.) in: -ontsloesterd loeipen: slordig, niet opgekleed, halfgekleed.  (vgl. Door zijn sloesters vallen, niets dan versleten kleren aanhebben - E. Claes)
*ONTVANGER  recepiënt, waarin iets wordt opgevangen. Den ontfanger ..., Waer in het nieren-nat door 4 naeuwe gooten dropt, dichter Jacob Westerbaen, 1653. (A.N.: vergaarbak met afvoerbuis, waarin zich het water uit de dakgoot verzamelt).
OONBATEN als poets  met uitwerpselen instrijken. Philip De Paepe over Volkstypen en Vaartkapoenen 1905-1906, Gazet v Aalst 25/5/1974: …naast het pissijn lagen gewoonlijk een paar gendarms (=stronten). Het was daar dat pompiers als een Kromme Verloes of een Mong De Wilde zich gingen bevoorraden tijdens hun oefeningen aan het water om ’t een of ’t ander materieel “aan te baten”. Idem, in ‘Aalstersche typen:’ … de tijd dat de tremels van de kerrewagens dikwijls “aangebaat” werden.
OONGOON weggaan in: -allei, god’oon: kom nou, zeg.
OONLOEIPEN weglopen, maken dat je wegkomt.
OORDIG in: -ne roike mens es oordig: wie rijk is handelt soms buitenissig.
*OZJE (Z.N.) ozie
*OZJENDRIP (Z.N.) oziedrop, ozendrop; door de Heemkundige Kring Hofstade-Gijzegem uitgeroepen tot ‘’t schonsjte woord van de proche’ in augustus 2006; de andere kanshebbers waren:

   1. ozjendrip   8. bredden
   2. knoezjeken   9. singelbeentje
   3. kalisjekloesjer  10. lueze moilje
   4. gerreken  11. futte kallut
   5. schoeverdijnen  12. tuimelparijs
   6. berreken  13. rezzekes
   7. graalijk  14. ammelauken
PAKSKEN in: -t paksken van de sadoot:ongewenste zwangerschap inz. van (doortrekkende) soldaat. Zn. pakje: vrucht van een zwangere vrouw.
PALLAK 1. appelflap; Columnist Miel van ’t Berreputje in de Gazet van Aalst 22/7/1967: ‘Bakker de Cock op de hoek van het Peperstraatje bezat de kunst om palakken te bakken, halfmaanse deegkladden gevuld met appelmoes’.  Vermoedelijk oorspronkelijk met pruimenvulling, van pallak = pallook, prunum nanum, kleine pruim, dubbel zo groot als sleedoorn, volgens botanicus R.  Dodoens ,1608,
 algemeen gebruikte term (De aldercleynste ronde Pruymkens heeten … hier te lande Palloken), maar volgens Scheurmans (woordenboek 1865-1870) dan enkel nog in Brabant bekend. De werkman 21/8/1885: ‘100 pruimen voor 3 à 4 cens, dan moeten het  pallakken zijn… DE PALAKKEN- d’Engelschmans koopen hier ’t fruit op, rijp of groen, en ze maken er gelijen af of likeur, welke alsdan in schone dooskes en fleschkes  gedaan, naar Belgenland terugkeeren en duur moeten betaald worden’. Bijnaam Erpenaars: palokeneters (een mand paloken zou op de kermis Mere in 1930, 1ste prijs bij het krulbolspel, gewonnen zijn door Erpenaars).

2. snoepje van op kartonnetje (bv.  speelkaart) of vetvrij papier gestolde, gekarameliseerde suiker en boter. 
PALOETER 1 bedrieger, fopper (ook: Brussel). Vgl WNT plamoteren: knoeien, minderwaardige zaken verkopen)  Denderbode 12/11/1908: Wie heeft te Kortijk M. Plancqaeert gepaloeterd, gefopt, bestolen? ’t Is dank aan die paloeters dat socialist De Bunne de Volkskamer is kunnen binnen sluipen. De Werkman 26/5/21: De tijden zijn voorbij dat de eenvoudigen zich lieten paloeteren door de zoogezegde groote heeren. 2 ventje, kereltje (liefkozend tegen kind: a, menne kleine paloeter!)
PANSJKES kipkap, zeer fijn gehakt varkenskopvlees, mindere kwaliteit dan hosjelek (boerenkop): geen tong en varkenswangen in verwerkt. Werd ook opgewarmd gegeten en was vaak het enige vlees dat het proletariaat zich kon veroorloven. Voor het courant worden van blik- en korrelvoeding  ook als katten- en hondenvoer aangewend. Vandaar de cynische opmerkingen achter de rug van iemand die bij de vleeshouwer pansjkes ver de kat kocht:  Ja ja, voor de kat… ver zelf op ’t eiten ja!  Carnavalliedje ‘Raldegeda’, 1968, Hector Rombout/J.P. De Boiselier: pansjkes en gekapt van ’t veirken, doorop moe ne mensj na gon op weirken.
PARIK paruik, pruik. (ook: Leuven) (Fr. perruque)
PASJAKROET haveloze sukkelaar (Renaat Grassin, Brussels dichter: En noë zaane veufde of tiende geus -dat hangt af van de constiteus- vuult de klainste pasjakreut hem lek as ne reus) (vgl. Fr. cache-croûte: knapzak; cach’a croütes: Waals voor kruimelzoeker).
PATTATTEN (Z.N.) in: -a pattaten gon afgieten: gaan plassen.
PEEEN (A.N.) de gebrande en gemalen suikerijwortels, die men onder de koffie mengt, bitterpee. Ter es te veil peeën in de kaffe.
PEERD in: -dienen kaan liegen gelèk een peerd schoiten; hij is een onverbeterlijke leugenaar.
PEIMEL ne chocolatten  peimel: een bruine vlinder
PEREPROSSER peerdenprosser: 1 handelaar in slechte paarden.  2 paardenviller.  Denderb. 6/9/1875: Zekere Biebaut,herbergier en peerdenprosser te Lede, verkeerde in staat van dronkenschap… de woestaard greep zijn peerdenprossersmes en plofte het in den buik van zijn slachtoffer. 3 dierenbeul. Werkm. 14/12/1877: De genadige Keizer Alexander (van Rusland), de Paus der Schismatieken, liet Polen aan zijn generaals en kozakken over, gelijk een peerdenprosser den weerlozen afval aan zijne uitgehongerde doghonden! 4 woesteling, onbehouwen kerel, die graag snijdt. Denderb. 19/5/1867: … dat het artikel noch door recruten, noch door kwakzalvers, noch door peerdenprossers geschreven is; daertoe is het breyn van zulke kwanten te waterachtig. (vooral O. Vl. en Antwerpen)
PEREWACHTERKEN (Z.N.) witte kwikstaart. (ook: koeiewachterken, bv. Overmere)
PERTEKELIER uitzonderlijk (van Fr. particulier).
PESJONKELEN (A.N.) ;in de jaren 1960 in  onbruik geraakte traditie. De gelovige zegde bij het binnenkomen van de kerk , op Allerzielen, een aantal voorgeschreven gebeden op om een aflaat bekomen, zodat de ziel van een overledene na de dood uit het vagevuur zou worden gered. Wanneer men ook nog voor een andere overledene een aflaat wilde verdienen, moest men eerst de kerk weer uitgaan, om vervolgens opnieuw naar binnen te gaan en dezelfde gebeden nog eens te herhalen. Wan het Latijnse portiuncula, waarmee een kleine Mariakapel aan de rand van het Italiaanse Assisi werd aangeduid. Franciscus van Assisi herstelde de kapel in 1208 en ieder bezoek aan die kapel leverde een volle Portiunciula-aflaat op.
PIK A PIK wederzijdse verbitterde wrok. LvA 10/12/1893: Te Gent is het pik-a-pik tusschen de groote bakkerijen. Dagelijks afslag van prijs. Maar dat de moelje kon spreken! Men moet het toch ieverst zoeken. (ook elders, voorn. Antwerpen en Zuid-Brabant)
PIOLIEBEREN letterl. vrijwielen, niet meetrappen op de fietspedalen, uitbollen. fig: het gemakkelijk opnemen. Luk Kieckens, 1973: Ze doeng ne kir heer devoeiren, ver ne kir iet deir te droiven, as ze ne kir in gank kommen… Want ver de moment zen z’azoei een betjen on ’t piolieberen. (Fr. pignon libre)
*PITJOE in Waasmunster: varken; vandaar > ne voile pitjoe ?
PIZJEWIET(ER) (A.N.) piezewiet: 1 onnozelaar, kwibus. Dimitri Verhulst in DS Weekblad, 2015: Alleen in de piezewiet van een Noah had hij (God) nog wat vertrouwen. 2 penis, pietje.
PLAKET 1. Oude zilveren munt, in de 19de eeuw plaatselijk nog in gebruik (vgl. ‘ploot’)   De Werkman 3/6/ 1910 Er vielen druppels zo dik als plaketten  (vgl. :’t Regent voiffrangstikken) WNT: in het Land van Aalst: hij spuwt plaketten: hij lijdt enorme dorst 2. Erepenning  in: - zen plaket toeinen: schandaal geven, zijn ware aard tonen. De Denderbode 22/2/1863: …heeft de vremde toneelgroep op de schouwburgzael dezer stad zoodanig haren plaket getoond, dat het meestendeel van de aenschouwers er hunne volle goeste van hebben.
*PLASJERS in - bloeite plasjers : blote voeten,  - in/me a bloeite plasjers: blootsvoets
PLASJVOETEN platvoeten
PLEZANTEN in: -liever ne kleinen plezanten as ne groeiten ambetanten: schertsend antwoord bij insinuatie op de geringe grootte van de penis.
PLOOSTER 1 onwaardige, onzedige, ontuchtige vrouw, slet: een voil plooster, een smerige plooster.  Vooral bij P. Daens, dikwijls in combinatie met plodde, juweel, smodde, slijp (sleep= slonzige vrouw die langs de straten sliert):  1876 ze knielen dikwijls voor een slechte vuil plaaster, die hun centen afluist en de plaaster deed de kinderen dat vuil lied aanheffen (over een lerares die de Marseillaise aanleert) – ’t zijn ordinairs, beroeste pannen, vuile bliksems, rotte plaasters. 1883 ‘tAntwerpen aan de Statie een slecht kot gesloten, al de plaasters werden meêgenomen en de registers ook. - Die smodden! Die plaasters! Die de drankkoten achternazitten.  1884 gestolen door dieven en moordenaars en afgrijselijke schelmen die dan in slechte kaveeten met gemeine plaasters bombâleken houden. 1885 D’Adviezen van Lucifer! De danskoten, daar vormen wij dieven, plaasters, juwelen, hellevegen! – ’t gestolen geld opgebrast met die plaasters en juwelen en de prangdieven. 1886 dat wordt een plaaster, een onweerdig schepsel. – zulke dochter zou iedereen als een slons en een smodde, als ‘nen dwijl en een slijp, als een plaaster en  schanddochter met de vingers gewezen hebben... 1910 Eensklaps trekt de plaaster een fleschje uit haren zak, ontkurkt het en werpt ’t wezen van haren minnaar vol vitriool 1912 Wilmart (een frauduleuze wisselagent) kocht voor zijn plaasters halssnoeren van 25.000 fr.  1914 Te Parijs blijft  die moordenares  Caillaux in ’t Prison als in een Hotel, omdat zij de vrouw, neen de plaaster was van eenen minister. 1915 Overal zijn…deftige vrouwen en plaasters van vrouwen.
Ook overdrachtelijk:1879 als ’t mensdom naar die vuile plaasters der vrijmetselarij luistert . 1881 Wat is d’ ongeloovige samenleving een afgrijselijke vuile plaaster. 1882 De liberaalderij, Sire, is een grote vuil plaaster! – Vuile gazetten, de plaasters van losbandigheid. - De godinne van de Rede: een plaaster en  een juweel! (over de begijnhofkerk, in  1793 door de Jacobijnen tot tempel van de rede omgevormd).
2  vrouw die tot vervelens toe van geen vertrekken weet, ongewenst aanklittende (zie ook: plekplooster) 3  vuile, slordige vrouw 4 (schersend): vrouw die zich niet laat bedotten, haantje de voorste, vrijpostige:  Goi zet oeik een plooster!  1974 ‘De Toeristische Ploosters’: voorlopers van Corum Alostum Imperiale, carnaval-actieve liedjeszangers.
PLOTEN de ploten: terreinafscheiding van betonnen platen in palen gevat. in:  -oever de ploten loeren: gluren (vb bij de buren). -oever de ploten smoiten: sluikstorten.
POEITELKAFEIKEN kaberdoes, kaveet
POETJENLAP in -poetjenlap doen, e poeitejen lappen: een beentje lichten. Herman Brusselmans, Humo nr.3398: ‘Ik lapte een vrouw een pootje. Ze verloor bij haar val  een kunstgebit’.
*POITEGEREK (gerek: slijmerig vocht door lichaam afgescheiden)
POITEPIT (p. 143)  Erratum: P. Couckestraat moet zijn: V. De Saedeleerstraat.
POORTEN (Z.N.) paarten: (bedrieglijk) delen, verdelen (bv. van de buit)
*PORTRETTENTREKKER (Z.N.) fotograaf. De Denderbode 18/2/1896: ‘Een Duitsche dokter, schrijven de gazetten, heeft een middel gevonden om de kleuren te fotografeeren. De nieuwe uitvinding verwekt groote opschudding in de wereld der geleerden en portrettentrekkers.’
POSTDOIFSOERT soort mensen onstandvastig van aard. (1 inf.)
*PRAMMEN (A.N.) Waasm.: de deur praumt: klemt.
PRIJ (A.N.) kreng, kwaadaardige vrouw. Een voil proi: een vuile vrouw.
PROFOITIG in:  -ienen me e profoitig gezicht: die altijd een zurige, misnoegde gelaatsuitdrukking heeft. LvA 31/12/1899: ‘den winkelier Marinus De Bock met zijn platte muts op, zijn breede voorschoot en zijn profijtig gezicht’;  -e profoitig gezicht trekken: een zuur gezicht trekken. LvA 5/1/1908: ‘Als Woeste over 35 jaar naar Aalst kwam, de Bethunen trokken profijtige gezichten’. Vgl . een gezicht trekken gelijk nen doortrokken pilaarbijter (De Werkman 6/11/1874). Ook: a ziet zen zelven ni geren.
RAJWAJ (A.N.) roesjbaan, achtweg (Eng. railway)
RAKALJ grind,  vgl. Racaile: uitvaagsel, uitschot, overschot; volgens  J. Weeveringh, Amsterdam 1888 ook: onzuivere, uitschot eener  koopwaar. Het  Land van Aelst, 12/12/1880: Er is eindelijk een steenwegske met racaille gemaakt naar de statie van Erwetegem; De Denderbode 17/3/1904: … een koopwarentrein met racaille; De Volkssem 22/3/1913: werken aan de spoorbaan te Wetteren… onder andere wordt de racaille vernieuwd.  (ook: Lebbeke, Asse, …)
REIZELEN (Z.N.) reuzelen aan: (zacht) aanraken. Aan uw marbol niet gereuzeld, zulle, Scheurmans (1870). Is mij dat een jongen! ge moogt er niet aan reuzelen of hij schreit, Joos (1903).
*REPPIG schurftig; van rap: korstige uitslag aan de knieën van een paard
*REPPIGORD Pieter Daens over het Socialismus en de communards van Parijs:  Roberspeer, Marat en al die reppige Jacobijnen …    de wreedste schrobbbers en reppigaards  over Caïphus: dien lelijken valschen reppigaard, bijna zo vals als Napoleon den derden, over het weer: een reppioge en hatelijk verrader….schurftig, reppig, gemein, dor rakailachtig, koortsachtrig, afschuwelijk weer
ROEIT in: -’t er es vlas in de roeit: er is hier een stinkscheet gelaten. Root: water waarin het vlas root, rot.
ROIZEN in: -'t roizen van de bloiren: ontluiken, ontknoppen van de bladeren in de lente. (AN: het vallen van de bladeren> rijzen=bewegen)
SALOIZWIERDERS b.h. met C- of D-cup. (naar bolvormige, openklappende plastic saladedroogzwierder) (1 inf.)
SAROEPSLEK grote (bruine) naaktslak. De hoestsiroop wordt als volgt bereid: de slak gewoon bestrooien met suiker waardoor de slak smelt tot ‘ledder’.
SAROEPTEPPEN zie teppen.
*SCHA in me ne schaan nek > L.P. Boon in Brussel een oerwoud XVIII, 27 febr. 1946: Soms komt er iemand met een schuwe hals wat staan fluisteren,…
SCHAA erotica: vrouwlijk. (heer schaa trekt goed)
SCHAMPAVIE (Z.N.) ’Ook speelde m. Bara rap schampavi, onder gelach van ’t volk (1879-84, De Reuzenstrijd of schoolstrijd te Aalst, p132) (Fr. escape, Sp. escapativos)
*SCHELLEN in: -nog ienen schellen: nog een pintje bestellen (van schellen: bellen = bestellen?)
SCHEREN in: -do schoein geschoeren stoon: voor schut staan, in de problemen komen.
SCHERRELINKS (Z.N.) 1 rakelings (van: scheren) 2 gespreide zit (van: schrijden).
SCHIDDERINK rammeling, dooreen schudding. O.Tieger 15/6/1930: Gelèk assen Boeve komt, grabbelt den agent hem ba Zenne schabbernak en geift hem ’n goei schidderink.
*SELDER van zenne senter (=middelpunt, evenwicht) vallen: Zn.
SINTJEMERTENZOEMER mooie nazomerdag rond 11 november (ook: Bambrugge; in Gooik en (Nederlands) Limburg: spinneweb).
SJAMPOENEN Japan. Van: Japoniën De Denderbode 26/4/1863: Verleden zondag…zyn de feesten der onlangs heyligberklaerde martelaeren van Japoniën, ;;in de kerk van het Kollegie alhier gevierd geweest.    De Denderbode, 8/12/1904: Het Order der Chrystanthemen is het hoogste order in Japoniën.
SJARET (vgl una chara: een kroes)
SJOEKEN (Z.N.) chouke: 1. roomsoes (paté à choux < naar vorm: spruitje); vandaar> 2. schatje, liefste (Fr. chou-chou). Vooral in Brussel.
*SJOEREN Er zijn er die pijnen hadden in de ballen van hun oogen en dat is pijnlijk, als men geerne sjoert; De Werkman, 24/11/1890) Bargoens voor: kijken, zien (ook in Noord-Nederland: sjoer die murf michelen: zie die vent lachen)
SJOEZEMIE vrouwenborst (van zoogmoeder): een boeleken de zjoezemie geiven.
SJOEZEN zuigen (van baby aan borst of fles).
SJOKKEMEMME fopspeen.
*SLAWELLE ;(vgl.ZN. slaveddel,  slavetse, verwant met slet) De Dendebode 12/8/77: slawelle
SLEIP ;slons, slet : Hij was overtuigd dat de slijp niet alleen met zijn geld weg was, maar daarenboven zou aanklagen en verraden (Uit vervolgverhaal ‘De Schelmstukken der Nihilisten’, LvA 3/4/1881). 1882 De processiën op straat (in Rijsel) zijn verboden: slonzen en slijpen en lappers en rakkers mogen op straat komen, Ons Heer niet! 1885 Met geld dat hij van de weeskens stool, kocht hij juwelen voor zijn slijpen, ja rozen die 12 fr. stuk kostegen. 1888 Zekere Ernestina H, een slijp en een schandaal, zondag voor diefte aangehouden.  Zie ook : plooster   vgl WNT: sleep: haveloze slonzige vrouw die langs de straat sliert (Z.-O.-Vlaanderen)
SNAAS penis (van snaars: knobbel, verharding?).
SOEP in: -dienen heit dor zen soep oitgeschept: hij heeft het daar flink meegenomen, is er met zijn gat in de boter gevallen, heeft zich daar goed genesteld.
SPAAVEN (Z.N.) spouwen: uit de mond stoten, braken. De sommighe Coopliens zijn altemet zoo Zee-zieck als zy t’ scheep comen, dat sy schier al overgheven ende spouwen dat zu in haer lijf hebben (1602, Oost-Indische ende West-Indische Voyagien) Ick spou dat ick u sie, ick hebbe den buck al vol af. (G. Ogier, De 7 Hooftsonden, A’dam 1682)
SPINNEKOP in: 's meires drik, 's noenens gelik, 's auves min - de spinnekop heit den doivel in: gezegd door bijgelovige bij het zien van een spin
SPINNEKOP suikerwolk,  barbe à papa.
SPINNEN (Z.N.) in: -fijn garen spinnen: slim te werk gaan: Ge moetj me foin goren spinnen ver oit heer annen te bleiven (doelende op een ziekte als kanker, de dood, …).
SPLEIT erotica: vrouwlijk.
SPONS erotica: vrouwlijk.
*STEIK in: -ne steik en een haat: een beetje; (van topspel: ne steik = de op de hand genomen draaiende tol, weer op de grond brengen en een haat = het slaan naar de tollen van de tegenstrevers die in een putje liggen, na de eerste en een tweede steek, met de nog steeds op de hand draaiende tol, dit alles binnen een cirkel van 2 à 3 meter): een beetje (waarschijnlijk door verwarring met:ne steik en nen nood: een onnozelheid, klein werkje (zoals een steek met de naainaald en de draad aantrekken) ne steik en een haat verwijst volgens sommigen ook naar de kleine afstand bij het bolspel, gemeten door een steek (lengtemaat) en een houten stokje als meter.
STEIRFHOIS (Z.N.) in: -kosten op 't steirfhois: nutteloze kosten. weggegooid geld. (vooral Antwerpen, Waasland… maar ook Nederl. Brabant)
STEIRK (A.N.) in: -de boeter es steirk: heeft een scherpe, ranzige bijsmaak, door bewaring ontstaan.
STOEIT in: -ne stoeit teigenkommen: iets voor hebben; -da zen stoeiten: stommiteiten.
STOIF in: -pas‘et me stoive poeiten, past da ne kir mè stoif eiremkes: gezegd tegen iemand die tegenwringt, tegenwerkt, te nauw ziet, waarvoor men geen goed kan doen.
STOILOEIG oogzweertje, ontsteking ooglid. in: -e stoiloeig hemmen, van teigen de keirk te pissen. Naar algemeen oud volksgeloof, dat tegen een kerk plassen bestraft wordt met een oogzweer.(ook: Denderm.; vgl. Maldegem, Buggenhout: pisoog, Zottegem: kerktichel) (van kerkstijl of steil= star oog?)
STRONTJONGEREN deugnieten, lastpakken, pubers, onvolwassenen.
STRONTVLIEG 1 gele strontvlieg of drekvlieg (Scathophaga stercoraria), die paart en eitjes legt in koeievlaaien. 2 vleesvlieg. Verscheidene soorten leggen hun eitjes in mest van dieren, zodat hun larven daarin kunnen leven.
STROOTLAMOIN straatloper, die niets uitvoert behalve op straat rondhangen. Zie ook Zn. lamijn.
SUKKELSTRAATJE (Z.N.) -in ’t sikkelstrotjen zitjen, zen,woeinen: aan de sukkel zijn.
SUKRIOEN soort winter- of zomergerst. Fr. soucrillon.
SUPIET (Z.N.) kalfszwezerik. (ook in Groningen)
TAUK in: zen tauk hemmen: genoeg gegeten hebben, voldaan zijn. A. de Zarate, Amsterdam 1598: Zy begonst soo hittechlijk teten dat men hen een taecke stellen moest totter tijdt dat heurlieder mage wederomme tot heur selven quwam. van taak: voorgeschreven hoeveelheid.
TAUKEN in: -dat een tokt ni: verzadigt niet, vult niet (voeding)
TEK ne zotten tek: onnozelaar, dwaas; ne wieken tek: fragiel persoon
TEKKELIET waarsch. Afleiding van tekkelink,1. tekkeleer: jonge botvink, gevangen augustus-september. P.Daens, 25/5/1890: 'Hoort daar omhoog den Tekkeliet afgeven! En de Wedde! en dan de Wiewawaal...die vogels! (1 inf.) 2. (1 inf.°1917) vrouwelijk persoon die niet al te snugger/bijdehand is: ' Azoe 'n tekkeliet!'
TEPPELOE onnozelaar.
*TEPPEN laagste nummer bij militieloting (tot 1909): teppen trekken (ook: teppen ien). De lage nummers moeste militaire dienst doen.
TETJENLUL in: -ik stond dor ver tetjenlul: nodeloos (vgl. ik stond dor te schiljeren, ...ver jakkes) (1 inf.) ook Brussel: bijnaam: François Tetjelul (1 inf.)
TETTENPLEKKER zelfklevend etiketje, met vaak weinig flatterende, vulgaire teksten op, dat tijdens carnaval op de kledij van het publiek, meestal op borst(en)hoogte geplakt wordt.
THOEIPSCHOITEN 1 ineenstorten. 2 mislukken.
*TISJ 3 taats, koperen nagel bovenaan tol:  De Cock en Teirlinck in Kinderspelen. 5, p 142: Het bovenste deel (van den tol) is platter ... en toont in het midden een klein uitsteeksel, een punt; rond dit uitsteeksel ziet men dikwijls ... kringjes ..., soms eenige kringvormig geplaatste, glanzende koperen nagels, tatsen of taatsen geheeten (Oost-Vlaanderen). In het uitsteekseltje slaat men ook dikwijls een taats (Oost-Vlaanderen, Land van Aalst); die taats heeft een dubbel doel: het is een sieraad; hij beschermt den top als een medespeler er naar kapt. 4 (veelal geschreven: tiche): schacht of bovenleder van de schoen (Fr. tige: schoenschans)
TISJEN aaneenstikken van schoenschans en zool
TISJENFABRIEK, TICHENFABRIEK fabriek van schoenschansen (bovenleders); deze ‘tichen‘ werden door de schoenmakers aan de zool ‘getisjt’
TJOEK duw, klap.
TREKHOL tochtgat, trekgat, plaats in een steeg, op een straathoek waar het sterk tocht.
TREKHOL trekgat, tochtgat, tochtige plaats; Het Recht 4/12/10 (over nachtdienst op goederentreinen): Een ‘schoon Hôtel ‘waar men door de trekgaten de eene valling op de andere opdoet.
TRIP in: -die heit van heer leven oeik veil trippen g’eiten: heeft veel mannen gehad (ook: veil sossis ’eiten)
TRISJKEN klutsje, restje drank in glas of fles (vgl. 1588: trits: klein koekje; triezel, trisseltje: kleinigheid, ziertje >wat door de trijzel = zeef valt). (ook: Brussel en omgeving)
TWIE in: -na zegd’het in twie kieren: nu pas is je uitleg volledig, zeg je het allemaal.
VAREIS (Z.N.) pullover. (Fr. vareuse: jekker, kiel, uniformjas).
*VASTELAUVEND (ook: Maastricht)
VERDESTREWEIRD >  beschadigd, verwaarloosd, verkommerd, wanordelijk; in de betekenis van vernietigd gewestelijk zowel in Nederland als in Vlaanderen.  Breekt en verdestrueert de afgodsbeelden, maakt wywater, besproeit er de tempels meê, Gezelle (1864).
VERHOORD (A.N.) verhaard: van de wind droog, schraal als haar geworden, uitgedroogd.
VERLOEREN (Z.N.) in: -‘t es verloeren gezeid: vergeefs, nutteloos, vruchteloos gezegd;daar helpt geen lievemoederen aan. ’t zal verloren gezegd zyn dat de gouverneurs, distriktcommissarissen … en al de ambtenaren die van de liberaters geplaetst zyn, zich niet met de verkiezingen mogen bemoeien. (Den Denderbode 1855).  -’t es verloeren geschoifeld: ’t Zal niet baten, hij zal geen gelijk halen. Hij zocht zich wel door advokatenstreken uyt den slag te trekken, maer ’t was verloren geschuyfeld , M. Van Wambeke hield zijn tegenstrever by d’ooren vast… (Den  Denderbode, 29/12/ 1867) . t' Is verloren gefluijt als t'paard niet pissen wil, (lijst met ‘Proverbia Belgica’ van Jan Gruytere (Gruterus), 1611).
Vgl:  ik spreik hier teigen de mieren:  niemand luistert naar mij.
VERNOEZJELEN (Z.N.) vernozelen (van nozel: schuldig, slecht): in slechtere staat brengen of geraken; schade toebrengen, bederven. Gij moet ons spel niet vernoozelen met al uw vieze toeren. Schuermans (1870). En Dat huus is stiif vernoozelt met onbeweund en iele te stane, (1907); Zijn voornemen (was): ... zijn genot met de oogen alleen op te nemen, want hij was vooral bang het maagdeken te vernoozelen, Stijn Sreuvels, De Vlaschaard (1907); De pogingen om het mooie Marieke te vernozelen, mislukken keer op keer. Wouter Deprez  in Schellekes, 2002’t Is ‘n stoeme gete, da ze mo ni peist da ze hiere de waore ga vinden en ton nog ne ki unze relaotie ga vernozelen vo ne doeme vint, da ze mo mijn klote kan kussen,  Gringo in Temptation Island, 2003
VERRAUFELD gerafeld, uiteengevallen in draden, meer bepaald aan de rand van een weefsel. L.P. Boon, Boontje Oudjes, 7/4/1960: …aan dit lichaamsdeel was de te lange broekspijp smodderig en verrafeld.
VERZJOZJE in: -e gezicht hemmen ver een verzozje op te gieten, van te gieten: een lelijk aangezicht hebben.
VESCHOEIT (Z.N.) in:  -den blaan veschoeit (insj) oithangen: ' zich eens te goed doen, niet werken, feestvieren, pret maken, het er van nemen (vb. bij afwezigheid van superieuren, toezichthoudenden e.d.);  bv.: Wa gon vandenauvend den blaan veschoeit insj oithangen: gaan vanavond een goeie fles wijn open trekken of een stevig biertje kraken met wat 'knabbeldingens' bij. Van: blauwe linnen voorschoot.
Als de Oorlogh gasten
Nu meynden met gewelt den Vyant aen te tasten
Soo waeren 't maer alleen vier Wagens met een Bruyt
Op elcken Wagen stack den blauwen voor-schoot uyt
De krijghs-mans souden wel sulck'-eenen Vyant kussen
 Sy losten al te mael tot haerder eer' hunn' Bussen,
Den Eerelycken  Pluckvogel, minneliedjes van Livinus  Van Der  Meeren, Antw. 1669.
Laet verdriet en kommer varen, Steekt den blauwen voorschoot uit! H. Conscience, De Gierigaerd, 1852.
VESCHOEIT, VESCHUT in: -wa gon van den auvend ne kir den blaan veschut oithangen: onszelf eens goed ‘swoinjeren’ in huiselijke kring.
VLOEIN gezetj zèn gelek as de kiezer me vloein: in zijn nopjes, fier zijn omwille van een kleine attentie.
VODDEKEN (Z.N.) in: -e voddeken rond zen tong hemmen: lispelen.
VOEGEL erotica: mannelijk.
VOESJKOMMEN (A.N.) (Ge zè van nen herink voesjgekommen): voortkomen, afstammen, spruiten uit.
VOILMAUKERKEN tompoes (rechthoekig gebakje bestaande uit twee lagen bladerdeeg met ertussen ‘crème patissière’ en bovenop suikerglazuur). Het eten ervan vraagt enige behendigheid.
VREIF (A.N.) de vreif van anne voet:  wreef, hoogste deel van bovenzijde voet.
WAZJEN   onnozelaar. (zie ook: WIZJEWAZJEN)
WEIVENBILDINK flatgebouw Esplanade wegens de verscheidenen weduwen in de appartementen
*WIZJEWASJ, WIZJEWAZJE onnozele (17deE: wisewasje: 1. bagatel, gekunsteld praatje, geharrewar 2. dom, onbenullig persoon; 1870, Antwerpen en Brabant: persoon met onstandvastig karakter, lichtzinnig, onbezonnen persoon) E. Och, moeder lief, 'k ben immers zoet. R. Is 't myn schuld, dat ik kakken moet? C. Die dorst heeft, mag die niet eens drinken? Cristyn (moeder van E., R., en C.). ... Ik raak voorwaar myn zinnen kwyt, Met deze kleuters en pistasjes, Een trits bescheeten wisjewasjes, ( blijspel van Abraham Alewijn, 1721). Wat, djanter! wat is het dan? .... wissewasjen als ik ben! ik die geloofde zoo wel in het menschelyk hart te konnen lezen; ik, die zoo veel zag en ondervond toen ik acht jaren en zeven maenden als dragonder in oostenrykschen dienst was — ik zou my hier misgist hebben? (J.F. Willems, 1811).
WOERD in: -e woerd van ne kilo: moeilijk, geleerd, ingewikkeld, intellectualistisch, hoogdravend woord. Korporale expressie, een woord van twintig kilo om te zeggen dat …. Lieven Matthieu, De Voorpost 7/3/1975.
ZEN (Z.N.) in: -ge zet er ni vb: Nie, ge zet er ni, Maaneken: je hebt ongelijk, bent verkeerd bezig.
ZEP costumen van Aalst, 1608: Men gebiedt telcken half-meerte…zijn grachten, sijpen en riolen te kuysen.
ZICHTEN in: -’t zichten: sinds dan (’t zichten hem ek hem ni mir gezing)
ZJENEMIEKES_KERIKHOF oud kerkhof (tot 1864) aan de Dendermondsesteenweg rechts voorbij de ‘konker’; naar eerste begraving (1784) van Joanna Marie (=Zjennemie) Meert.
ZJIELDROIR (Z.N.) in: -veroitgoon gelek as de zjieldroirs; veroitgoon op zen zjieldroirs-achteruitgaan, achteruitboeren. LvA 27/5/1888: Napoleon… Hij moest Keizer zijn, en later Keizer en Paus; maar dan begon hij achteruit te krabben gelijk de zeeldraaiers. Denderb. 21/11/1889: Het is waar dat Frankrijk, hoewel het in bezit is van het algemeen stemrecht, vooruitgaat op zijn zeeldraaiers. Volksst. 5/9/1896: Ge ziet dat de Daensisten beginnen familie te zijn van de zeeldraaier; achteruitgaan  en altijd achteruitgaan, dat is voor hen  aanwinnen en zegepralen. R&V 7/6/1908: Is ’t dan te verwonderen, dat de katholieke partij et zulke goede strijd-elementen vooruitgang doet, op zijn zeeldraaiers?
ZWADDER -in:- op zwadder zen, goon: op zwier gaan. LvA 25/12/1891: De gasten der luie compagnie, die pladderen en zwadderen in de gemeine kroegen en er dikwijls veel geld van verdachten oorsprong verteeren. O. Tieger 15/1/1929-15/1//1930, vervolgverhaal: Lowie en Jef op zwadder, of de geschiedenis van twie olsjtersche motosiklisten. De Spuiter 1/12/1972: Ten zeeje wel oit a bedde kennen, hein! Menier za van te neigen ieren wel in zen pompiersklodden rondloeipen, en ne gielen dag op zwadder, des zen lank leven.Voorp. 13/2/1981: En al pertank dasse zeggen dagge meh kersennen ni booiten ’n meigt, ik ging(meh Vastelaoved) op zwadder. (ook: op maroede goon)
ZWERT in: -zwert kaat: koudasfalt, gebruikt ter herstelling van beschadigd wegdek (door ex-schepen E. Hooghuys ’rustinnekes‘ genoemd)
ZWOIGORD (1 inf., 96 j) onvoldoende gedroogde, groene tabak waarbij men voortdurend aan de pijp of sigfaret moet lurken om ze brandend te houden, waardoor je niet kon praten (en dus moet zwijgen).