In 't Schoein Vloms vlag schoon vlaams
Diksjoneir
Alle woerden
 
Algemien Neiderlands of Schoein Vloms (woorvan dat de mensjen wel isj peizen dat 't typisch Oilsjters es)
Zoid-Neiderlands of Vloms (woorvan dat de mensjen wel isj peizen dat 't typisch Oilsjters es)

40 gevonnen.
 

Zoid-Neiderlands of Vloms
DIANTER 1. duivel.  2. bedrieger 3. haveloze, stakker. Van Fr. diatre, euf. voor diable; in: -om den dianter niet!: in geen geval (Het juiste woord, dr. C. Bauwens, 1928/1941) (ook: Leuven, Brussel…). Djanters! Zal men ons vragen, wat mogen die liberale slimmerikken die hunne tegenstrevers lichtdompers durven heeten, met vrouwenarbeid bedoelen… Zeemenis menne God! (Aalst, De Denderbode, 26 april 1874)
DOEIVEL in: -den doeivel ver annen nievejoor kroigen: een geducht standje krijgen, stank voor dank krijgen, verwensingen toegeslingerd krijgen. (Joos, Zuidnederlandse zegswijzen, 1887).
DRUKKELIJK leedverwekkend; in: -ver een drikkelèk zing: voor een drukkelijk zien: voor een geringe prijs, goedkoop; ver een drikkelèk zing moeten weirken: voor een karig loon. (o.a. Antwerpen, 1900)
EFFEN in: -op zen effen komen, zitten: in zijn oude doen zijn. (effen is kwaad te passen: het is moeilijk niemand kwaad te doen).
FLANSEN haastig en zonder zorg in elkaar zetten, aaneenbrengen (ook: aaneenflansen, ergens iets tussen flansen).
HAAFELEK houdelijk: in -‘t es ni haafelek: niet te harden, niet te houden (van de pijn) (alleen in negatieve zinnen)
*HOEBEN EN TOEBEN   Hoppen en toppen, waarbij hoppen huppelen en toppen draaien zou kunnen betekenen: ‘Zij vrezen de ledigheid en de doodende verveling en ‘hoppen en toppen’ maar voort.’ in Roofvogels, novelle van L. Van Op den Bosch.
KADEI (fr. cadet) 1. iemand die in het goede of kwade uitmunt, die ergens een hele piet in is: 't Es ne kadei, a drinkt alles tot de leste seng op. Dieë jongen es ne felle kadei in ’t lieren; ook in toepassing op zaken: iets puiks, uitmuntends: Dat es kadei van bier! Proeft dennen trappist isj, dat es andere kadei as Leffe. 2. kerel, vent (ne vieze kadei, nen oordige kadei) 3. kadeeën, kadeiën: kleine jongens, kinderen: Die klein kadeiën loeipen zu loot nog op ’t stroot, de bloedkoesj zal heer tienen afroin!  5. drol, stront. A heit in ne kadei getorren. Past op, door lei ne kadei.
KALOT lang haar voor mannen, pagekop (vgl. beatlekop), pruik. (AN. voor mutsje, alpinopet)
KAMANK gebrekkig, slecht te been, ziekelijk; kamant woter: brak, ziekmakend water (van: kamant)
KEES in: zenne kees loten:  zijn kaas laten,  dood gaan
KOEKENBAK   1 pannenkoek. 2  eierkoek, omelet.  3  het bakken van koeken;  in: -’t es koekenbak: 1, het is raak, het is koek en ei, het is aan, ze zijn verliefd  2 ironisch: het is zover, het moest ervan komen, ’t zit erop, er is ruzie, ambras, raak, prijs (bv.  autobotsing, zwangerschap, doelpunt) (vooral Antwerpen, Brabant, in Aalst vanaf jaren 1970).
LABBEN slurpen
LABBER scheldnaam: labbekak (= kwaadspreker, vreesachtig persoon, flauwerik…)
DDB,1849: Wacht een beetje, dronken labber, ik zal u binnen laten met behoorlijke ceremonie!
DDB,1908: De 10 labbers vielen hen op het lijf en brachten hem veel slagen toe (10 dronken kerels tergden en mishandelden de verbruikers).
Ze zou ze kunnen vierendeelen, die labers, MARE, in Gr. Nederl. 1909.
*LOETEN gril, nuk, kuren van: loet: schep- of krabwerktuig;dus stug, stijf nukkig als een loet
MESSINK mesthoop
NOT gewrichtskom; in: -zennen eirm, zenne schaaver es oit den not: ontwricht
OIREKOEK 1 omelet. De Werkman 8/10/1877: Hoe meer eiers, hoe grooter eierkoek en hoe meer soldaten, hoe grooter bloedbad! 5/5/1882: …gisteren heb ik zeer wel in den Appel gesoupeerd aan nen eierkoek met hesp (het woord omelet duikt in de Aalsterse kranten een 1ste keer op in 1924 en wordt pas courant vanaf 1947). 2 veelal ovale luchtige koek, met slagroom ertussen (vanaf jaren 1960 populair doordat industriële bakkerijen ze ook gingen aanbieden). Ingrediënten: eieren, suiker, zelfrijzende bloem en natriumbicarbonaat (maagzout).

*OZJE ozie
*OZJENDRIP oziedrop, ozendrop; door de Heemkundige Kring Hofstade-Gijzegem uitgeroepen tot ‘’t schonsjte woord van de proche’ in augustus 2006; de andere kanshebbers waren:

   1. ozjendrip   8. bredden
   2. knoezjeken   9. singelbeentje
   3. kalisjekloesjer  10. lueze moilje
   4. gerreken  11. futte kallut
   5. schoeverdijnen  12. tuimelparijs
   6. berreken  13. rezzekes
   7. graalijk  14. ammelauken
PATTATTEN in: -a pattaten gon afgieten: gaan plassen.
PEREWACHTERKEN witte kwikstaart. (ook: koeiewachterken, bv. Overmere)
POORTEN paarten: (bedrieglijk) delen, verdelen (bv. van de buit)
*PORTRETTENTREKKER fotograaf. De Denderbode 18/2/1896: ‘Een Duitsche dokter, schrijven de gazetten, heeft een middel gevonden om de kleuren te fotografeeren. De nieuwe uitvinding verwekt groote opschudding in de wereld der geleerden en portrettentrekkers.’
REIZELEN reuzelen aan: (zacht) aanraken. Aan uw marbol niet gereuzeld, zulle, Scheurmans (1870). Is mij dat een jongen! ge moogt er niet aan reuzelen of hij schreit, Joos (1903).
SCHAMPAVIE ’Ook speelde m. Bara rap schampavi, onder gelach van ’t volk (1879-84, De Reuzenstrijd of schoolstrijd te Aalst, p132) (Fr. escape, Sp. escapativos)
SCHERRELINKS 1 rakelings (van: scheren) 2 gespreide zit (van: schrijden).
SJOEKEN chouke: 1. roomsoes (paté à choux < naar vorm: spruitje); vandaar> 2. schatje, liefste (Fr. chou-chou). Vooral in Brussel.
SPAAVEN spouwen: uit de mond stoten, braken. De sommighe Coopliens zijn altemet zoo Zee-zieck als zy t’ scheep comen, dat sy schier al overgheven ende spouwen dat zu in haer lijf hebben (1602, Oost-Indische ende West-Indische Voyagien) Ick spou dat ick u sie, ick hebbe den buck al vol af. (G. Ogier, De 7 Hooftsonden, A’dam 1682)
SPINNEN in: -fijn garen spinnen: slim te werk gaan: Ge moetj me foin goren spinnen ver oit heer annen te bleiven (doelende op een ziekte als kanker, de dood, …).
STEIRFHOIS in: -kosten op 't steirfhois: nutteloze kosten. weggegooid geld. (vooral Antwerpen, Waasland… maar ook Nederl. Brabant)
SUKKELSTRAATJE -in ’t sikkelstrotjen zitjen, zen,woeinen: aan de sukkel zijn.
SUPIET kalfszwezerik. (ook in Groningen)
VAREIS pullover. (Fr. vareuse: jekker, kiel, uniformjas).
VERLOEREN in: -‘t es verloeren gezeid: vergeefs, nutteloos, vruchteloos gezegd;daar helpt geen lievemoederen aan. ’t zal verloren gezegd zyn dat de gouverneurs, distriktcommissarissen … en al de ambtenaren die van de liberaters geplaetst zyn, zich niet met de verkiezingen mogen bemoeien. (Den Denderbode 1855).  -’t es verloeren geschoifeld: ’t Zal niet baten, hij zal geen gelijk halen. Hij zocht zich wel door advokatenstreken uyt den slag te trekken, maer ’t was verloren geschuyfeld , M. Van Wambeke hield zijn tegenstrever by d’ooren vast… (Den  Denderbode, 29/12/ 1867) . t' Is verloren gefluijt als t'paard niet pissen wil, (lijst met ‘Proverbia Belgica’ van Jan Gruytere (Gruterus), 1611).
Vgl:  ik spreik hier teigen de mieren:  niemand luistert naar mij.
VERNOEZJELEN vernozelen (van nozel: schuldig, slecht): in slechtere staat brengen of geraken; schade toebrengen, bederven. Gij moet ons spel niet vernoozelen met al uw vieze toeren. Schuermans (1870). En Dat huus is stiif vernoozelt met onbeweund en iele te stane, (1907); Zijn voornemen (was): ... zijn genot met de oogen alleen op te nemen, want hij was vooral bang het maagdeken te vernoozelen, Stijn Sreuvels, De Vlaschaard (1907); De pogingen om het mooie Marieke te vernozelen, mislukken keer op keer. Wouter Deprez  in Schellekes, 2002’t Is ‘n stoeme gete, da ze mo ni peist da ze hiere de waore ga vinden en ton nog ne ki unze relaotie ga vernozelen vo ne doeme vint, da ze mo mijn klote kan kussen,  Gringo in Temptation Island, 2003
VESCHOEIT in:  -den blaan veschoeit (insj) oithangen: ' zich eens te goed doen, niet werken, feestvieren, pret maken, het er van nemen (vb. bij afwezigheid van superieuren, toezichthoudenden e.d.);  bv.: Wa gon vandenauvend den blaan veschoeit insj oithangen: gaan vanavond een goeie fles wijn open trekken of een stevig biertje kraken met wat 'knabbeldingens' bij. Van: blauwe linnen voorschoot.
Als de Oorlogh gasten
Nu meynden met gewelt den Vyant aen te tasten
Soo waeren 't maer alleen vier Wagens met een Bruyt
Op elcken Wagen stack den blauwen voor-schoot uyt
De krijghs-mans souden wel sulck'-eenen Vyant kussen
 Sy losten al te mael tot haerder eer' hunn' Bussen,
Den Eerelycken  Pluckvogel, minneliedjes van Livinus  Van Der  Meeren, Antw. 1669.
Laet verdriet en kommer varen, Steekt den blauwen voorschoot uit! H. Conscience, De Gierigaerd, 1852.
VODDEKEN in: -e voddeken rond zen tong hemmen: lispelen.
ZEN in: -ge zet er ni vb: Nie, ge zet er ni, Maaneken: je hebt ongelijk, bent verkeerd bezig.
ZJIELDROIR in: -veroitgoon gelek as de zjieldroirs; veroitgoon op zen zjieldroirs-achteruitgaan, achteruitboeren. LvA 27/5/1888: Napoleon… Hij moest Keizer zijn, en later Keizer en Paus; maar dan begon hij achteruit te krabben gelijk de zeeldraaiers. Denderb. 21/11/1889: Het is waar dat Frankrijk, hoewel het in bezit is van het algemeen stemrecht, vooruitgaat op zijn zeeldraaiers. Volksst. 5/9/1896: Ge ziet dat de Daensisten beginnen familie te zijn van de zeeldraaier; achteruitgaan  en altijd achteruitgaan, dat is voor hen  aanwinnen en zegepralen. R&V 7/6/1908: Is ’t dan te verwonderen, dat de katholieke partij et zulke goede strijd-elementen vooruitgang doet, op zijn zeeldraaiers?